Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dwangschriften, en wel by deu gewonen burgerlijken rechter. Voor de meeste belastingen had art. 83 Ov. derhalve na 1879 óók zijne beteekenis verloren.

Dit art. werd dan ook ten slotte ingetrokken bij Kon. Besl. afgekondigd bij Stb. 1890-72, waarbij de Gr. G. tevens werd gemachtigd 0111 ten aanzien van allen, wat den Lande verschuldigd was, nieuwe voorschriften in het leven te roepen, voorzoover die invordering volgens voorschriften van vóór 1848 nog geschiedde. Hieraan werd gevolg gegeven bij Stb: 1890-73, welks art. 2 het volgende bepaalt:

'„/)<? gerechtelijke invordering van hetgeen den lande krachtens algemeene of plaatselijke verordening verschuldigd is of uit anderen hoofde toekomt, daaronder begrepen de op het verschuldigde gevallen verhoogingen en boeten, voorzoover daarvoor geen bijzondere voorschriften zijn of nader worden vastgesteld, geschiedt bij den dagelijkse/ie» redder van den schuldenaar, overeenkomstig de voor hem geldende voorschriften van burgerlijke rechtsvordering."

Wanneer derhalve geene andere bepalingen, na 1848 gemaakt, daaromtrent bestonden (zooals b. v. Stb. 1879-267) ,zoo worden de bedoelde vorderingen voor den burgerlijken rechter gebracht, ook al zijn er boeten onder begrepen als boven aangegeven. Deze boeten worden derhalve als burgerrechtelijke vorderingen beschouwd: zij worden dan ook meestal tegelijk met het verschuldigde recht (hetwelk zonder twijfel burgerrechtelijk, zeker geen strafrechtelijk karakter droeg) gevorderd. Maar nog altijd bleef twijfel bestaan omtrent de vraag, of de boeten, die dan niet bij wijze van verhoogingen op het verschuldigde gesteld waren, en ook niet vielen onder die, genoemd in Stbl. 1879 no. 267, voor den burgerlijken, dan wel voor den strafrechter moesten worden gebracht b. v. de boete genoemd in art, 9 der In- en overschrijvingsordonnantie; zie £ 54. Om nu aan dezen twijfel een eind te maken, werd bij wege van authentieke uitlegging een tweede alinea aan bovenstaande bepaling toegevoegd (bij .Stbl. 190:! no. 211), welke thans derhalve in haar geheel aldus luidt:

„De. gerechtelijke invordering van hetgeen den Lande krachtens algemeene ..of' plaatselijke verordening verschuldigd is of uit anderen hoofde toekomt,

Sluiten