Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangt aan op den dag, waarop het veroördeelend vonnis kracht van gewijsde verkrijgt ia. '22 Swb. I.). Natuurlijk mogen zij niet worden opgelegd, Wanneer ze niet door den wetgever zijn bedreigd. De sub b c d genoemde zijn, zooals wij reeds weten, ran rechtswege verbonden aan dwangarbeid in den kettingzij worden daarbij dus nooit als bijkomende straf bedreigd, noch uitgesproke».

IJ. Verbeurdverklaring van voorwerpen, die den veroordeelde toebehooron, en wel:

a voorwerpen van het delict, b.v. gesmokkelde waar; li. voorwerpen, uit het delict voortgesproten, b.v. Valsche munt; c. voorwerpen, die tot middel gediend hebben om het delict te plegen, bv. wapens, breekijzers enz.

De verbeurdverklaarde goederen komen ten bate van het Land, behoudens enkele uitzonderingen, waarbij zij of de opbrengst ervan aan aanhalers enz. worden afgestaan. ')

Zij worden gewoonlijk in het openbaar verkocht (speciale bepalingen kunnen hierop uitzonderingen maken, bv. ten aanzien van opium, koffie, zout, bij de desbetreffende verordeningen), óf de vernietiging ervan wordt bevolen, nl. indien van die voorwerpen gebruik kan worden gemaakt tof het plegen van meerdere delicten, zooals werktuigen dienende tot nuintvervalscbing, enz, Dat dit laatste ook bij wege van politiemaatregel krachtens art. 7 Swb. 1. bevolen kan worden, weten wij reeds uit § ;)6. Zie Stbl. 1860 no. 64, a. 2 (opgenomen in Mr. Engelbrecht's „De Ned. ind. Wetboeken").

Vroeger was verbeurdverklaring van alle. bezittingen mogelijk, en deze straf vond ook nog al eens toepassing; zij is bij a. 160 Gw. echter verboden, welk artikel in a. 90 R. R. is overgenomen. 2)

Ook mag de straf van verlies van alle burgerlijke rechten thans niet meer op eenig delict bedreigd worden ia. 89 IJ.R.s.

•') Vergelijk hetgeen daaromtrent t. a. V. de boete is' gezegd in § 34, met de aldaar aangehaalde plaatsen. Zie verder nog a,. 127 Swb. I.

*) Art. 160 Gw. verbiedt de „algemeene verbeurdverklaring"; het eerste woordje miste men in art. 155 Gw. van 1848, waaraan a. 90 li. R. direct ontleend is; vandaar dat men het ook in laatstgenoemd art. niet aantreft; de bedoeling is echter duidelijk.

Sluiten