Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal guldens als het maximum der bedreigde geldboete bedraagt; evenwel wordt dit maximum nog op drieërlei wijze nader beperkt: 1°. mag het maximum nooit meer dan 8 maanden beloopen; 2°. mag voor eene bedreigde geldboete van t • >00 ot minder nooit meer dan 3 maanden subsidiaire straf worden opgejegd: 3° mag voor elke|guklen nooit meer dan 1 dag worden opgelegd (zie art. 18 Ontw.)

Ook hierbij geldt, dat als subsidiaire straf nooit meer kan worden opgelegd dan het maximum der alternatief bedreigde straf (a. 18 Ontw.); verder dat de veroordeelde als hij wil, dadelijk de subsidiaire straf kan ondergaan, terwijl betaling van een gedeelte dier geldboete hem bevrijdt van een evenredig deel der subsidiaire straf en omgekeerd, (a. 19 Ontw.)

Ten aanzien van het begin der arbeidstrat houdt a. 20 Ontw. dezelfde bepaling in als a. 327 1. R; a. 21 Ontw. bepaalt verder, dat de rechter bevoegd is bij zijn vonnis te bepalen, dat de tijd in voorloopige hechtenis doorgebracht, geheel of gedeeltelijk in mindering zal komen van den opgelegden straftijd: thans mag dit alleen do rechter in revisie doen (zie a. 301» Sv\ liii ontvluchting. b'e naait a. 22 Ontw. dat de tijd.

/jr/o /j/2 (|-enteili,.eV()j jn -yrijheid doorgebracht,niet, in rekening wordt,

gebracht op den duur der straf.

§58 Bijkomende I- Artt. 23 26 Ontw. regelen nader de ontzetting van bepaalde'straffen volgens rechten als bijkomende straf; in hoofdzaak komt deze regeling Ontwerp. op hetzelfde neer als de bestaande. De rechten waarvan men ontzet kan worden zijn eenigszins anders omschreven en ook met een nummer aangevuld, doch veel verschil is er niet. De al of niet oplegging van deze bijkomende straf wordt gewoonlijk aan het goedvinden van den rechter overgelaten. Zij wordt in het tweede boek op verschillende misdrijven of groepen van misdrijven bedreigd, terwijl artt. 24 en v. bovendien meer in het algemeen eenige soorten van misdrijven opsomt, waarbij het den rechter geoorloofd is, de ontzetting van enkele rechten uit te spreken.

liet sub. 5° genoemde recht, nl. de uitoefening van bepaalde beroepen (niet ambten!;, wordt bedreigd in geval men van zijn beroep misbruik maakt bij het plegen van eenig delict, welk delict dus in de uitoefening rap het beroep moet zijn gepleegd:

/ /

/?«7

&/ti

Sluiten