Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

305 Swb. I. vinden wij voorbeelden -van gequalificeerde delicten, die tevens geprivilegieerd zijn. (Men vergelijke de artt. 315 v. v. Ontw. met de hier aangehaalde). ')

De hier behandelde omstandigheden vormen alle elementen van het delict; daarom moeten zij in de te-laste-legging uitdrukkelijk vermeld» en in het strafgeding bewezen worden. De gevolgen van niet vermelding dezer omstandigheden in de acte van verwijzing, alsmede van het niet-bewezen zyn ervan, behooren in het procesrecht thuis (verg. art. 240e I. R. zooals dit gewijzigd is bij Stbl. 1907 no. 156; a. 273, 303 v. I. R., a. 301m. Sv. jo. Stbl. 1901 no. 124).

§ 62. Recht- Indien de wetgever eene in het algemeen rechtmatige 'wrdigings-, en gedraging onder bepaalde omstandigheden onrechtmatig acht 8,rafuitsiuitings- en ais(jan strafbaar wenscht te stellen, zoo kan hij niet anders

Hronden. , , •. . .

doen dan die gedraging onder die omstandigheden tot delict

maken, op de wijze, in § 61 gezegd; ondenkbaar is het, dat

hij hierbij op andere wijze te werk zou gaan.

Geheel anders is het gesteld, indien de wetgever eene in liet algemeen strafwaardig geachte gedraging onder zekere omstandigheden niet strafbaar wenscht te stellen, omdat die omstandigheden aan de gedraging hetzij haar onrechtmatig karakter ontnemen, hetzij althans haar strafbaar karakter. Ook dan kan hij op de in § 61 beschreven wijze te werk gaan. Maar veel r^tioneeler en eenvoudiger is het, om in dergelijke gevallen de gedraging in het algemeen strafbaar te stellen, en de omstandigheden, die hetzij de onrechtmatigheid (en daardoor tevens de strafbaarheid), hetzij de strafbaarheid alléén uitsluiten, als zoodanig afzonderlijk vast te stellen. Men spreekt in het eerste geval van rechtvaardigingsgronden, in het tweede geval van strafuitsluitingsgronden.

Wat vooreerst de rechtvaardigingsgronden betreft, deze kunnen óf ten aanzien van een of meer bepaalde delicten, óf ten

') Met de hier bedoelde mogen niet verward worden de soortgelijke omstandigheden, die, geen deel vormende van het delict, door hare aanwezigheid slechts ertoe kunnen bijdragen, om de op te leggen straf' hetzij te doen verminderen (verzachtende en verschoonende omstandigheden), hetzij te doen verhoogen (verzwarende, omstandigheden). Daar zij op den aard van het delict hoegenaamd geen invloed uitoefenen, maar slechts op de toemeting der straf, zoo behoort hare behandeling niet in dit hoofdstuk, maar in het vóórlaatste, thuis.

Sluiten