Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetgever wil te kennen geven, dat het opzet daarop gericht moet zijn, zooals wij nader zullen zien.

De omstandigheden, die van eenig delict alléén de strafbaarheid, doch niet tevens de onrechtmatigheid uitsluiten, zijn vry zeldzaam. Zij moeten uit den aard der zaak uitdrukkelijk door de strafwet worden aangewezen, daar de onrechtmatigheid blijft bestaan. Wanneer b. v. de eene echtgenoot van den ander iets steelt, is en blijft deze daad eene onrechtmatige, en kan zij tot eene burgerrechtelijke actie tot schadevergoeding aanleiding geven; de strafbaarheid echter wordt, hoewel in het algemeen aangenomen, voor dit geval uitgesloten. (Zie, en vergelijk met elkaar, art. 298 Swb. I. en art. 323 Ontw.).

De omstandigheden, waardoor de onrechtmatigheid, en die, waardoor slechts de strafbaarheid wordt uitgesloten, komen hierin met elkaar overeen, dat in beide gevallen niet gestraft kan worden. Zij vormen beide uitzonderingen op de strafbaarheid van eenig delict. Daarom kan de beklaagde zich op de aanwezigheid dier omstandigheden beroepen om, indien zij bewezen zijn, straffeloosheid te verkrijgen. Maar de afwezigheid dezer omstandigheden behoeft niet in de te-laste-legging worden opgenomen, noch te worden bewezen. In dit opzicht verschillen zij derhalve van de omstandigheden, in de vorige § bedoeld. ')

') De Franschen spreken daarom van faits d'excuse, en vatten onder dezen term beide soorten van strafuitsluitings-grond samen, ter onderscheiding van de omstandigheden (al dan niet elementen van het delict), waarvan de strafbaarheid afhankelijk is. De gronden, die de onrechtmatigheid opheffen, noemen zij meer speciaal faits justificatifs.

Waar men te doen heeft met eene omstandigheid, die de strafbaarheid van eene in het algemeen strafwaardige daad uitsluit, is het niet altijd zeker, of men deze als een bestanddeel van het delict, dan wel als buiten het delict liggenden strafuitsluitingsgrond heeft te beschouwen. Gewoonlijk laat men het van de redactie van het artikel afhangen.

Waar b. v. in a. 3 no. 15 Pol. I. met straf wordt bedreigd degene „die zonder vergunning, door of namens het hoofd van plaatselijk bestuur' verleend, in openbare wateren visclit met aanwending van vergiftige enz. stoffen", daar zal men de omstandigheid, dat geen vergunning is verleend, als element van het delict moeten beschouwen, haar derhalve moeten ten laste leggen en bewijzen. Had er gestaan: „die in openbare wateren enz. tenzij hy daartoe van of namens het hoofd v. pl. best. vergunning had gekregen," zoo zou men ongetwijfeld met een strafuitsluitingsgrond te doen hebben. De beklaagde zou dan het bestaan dier vergunning moeten bewijzen om vrijspraak te bekomen; bovendien zou aan "de bedoeling des wetgevers een betere vorm zijn verleend. Bij het samenstellen van administratieve verordeningen, locale verordeningen en politiekeuren is het zaak, hierop wel de aandacht te vestigen.

Sluiten