Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in; deze strafbaarheid nu wordt afhankelijk gesteld van eene later intredende omstandigheid, zoo b. v. voor den samenzweerder, indien hij vóór de vervolging ter zake dier samenzwering enz. zijne bentgenooten verraadt. Deze soort omstandigheid verschilt van de strafuitsluitingsgrond hierin, dat zij na de daad eerst intreedt. Overigens gelden dezelfde opmerkingen, die op het einde van de vorige § gemaakt zijn, ook t. a. v. deze bijkomende voorwaarden ,van niet-strafbaarheid. Zij komen in het Ontw. niet meer voor. ')

§64. causaai-en Uit het bovenstaande blijkt dat, welke omstandigheden bij *httidv«rband in eenig delict ook te pas mogen komen, in elk geval voor elk het algemeen. n(ef;ct behalve de strafbedreiging — het navolgende aanwezig moet zijn: a. een mensch, b. eene menschelijke gedraging, c. een door den wetgever uitdrukkelijk als ongewenxcht aangegeven feit 2) Bovendien echter moet tusschen deze drie vereischteu een nauw verband bestaan, zonder hetwelk van geen delict sprake kan zijn (al neemt de wetgever het dikwijls niet zoo nauw hiermede); dit verband nu, zullen wij thans wat nader beschouwen.

Vooreerst dan, wordt het ongewenschte feit steeds als gevolg van eene menschelijke gedraging gedacht: tusschen die menschelijke gedraging en het ongewenschte feit moet m. a. w. oorzakelijk verband bestaan.

Maar verder moet ook tusschen den mensch en zijne gedraging, en tevens tusschen dien mensch en het door de wet ongewenschte gevolg zijner gedraging, een eigenaardig verband bestaan, hetwelk men aanduidt door schiddrerband, en waardoor eerst de gedraging, resp. het gevolg ervan, 'dien mensch ■ den dader) kan worden toegerekend.

') De in (leze § behandelde voorwaarden dient men wel te onderscheiden van de voorwaarden voor de vervolgbaarheid- van het delict, b. v. indiening' der klacht bij klachtdelicten, of het verkregen verlof tot vervolging. bedoeld bij a. 1 Sbl. 1867 no. 10; evenzoo van de voorwaarden voor de uit voering der opgetegde straf. zóoal,f> b. v. het verioopen der in artt. 321 v. T. I!. voorgeschreven termijnen, de in art. 323 eod. bedoelde beschikking, enz.

2 ' Dit ongewenschte feit (in den meest uitgebreiden zin te verstaan) kari óf positief gesteld zijn (nl. door eene verbodsbepaling) óf negatief 'door eene. gebodsbepaling

1

Sluiten