Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Velen trachten voor dergelijke delicten éën tijd en één plaats te bepalen, b. v. door het tijdstip en de plaats der handeling, of wel die van de voltooiing van het delict enz. als tijd en plaats van het geheele deliet aan te nemen. Deze theorieën zijn echter af te keuren omdat zij alle in strijd zijn niet de werkelijkheid. Immers, in werkelijkheid worden dergelijke delicten op onderscheidene tijdstippen gepleegd. Wanneer dus de vraag beantwoord moet worden, waar en wanneer eenig delict gepleegd wordt, zoo komen hierbij alle tijdstippen en alle plaatsen in aanmerking, waarop het delict in werkelijkheid plaats greep, tenzij uit de strafwet duidelijk blijkt, dat één der in aanmerking komende tijdstippen of plaatsen speciaal bedoeld wordt.

De bepaling van de plaats van het delict komt b. v. te pas bij de bepaling der competentie des rechters; in bovengenoemd voorbeeld zouden zoowel de Landraad te Magelang, als die te Semarang bevoegd zijn (zie a. 241 I. R., welks laatste lid analogisch op dit geval toegepast kan worden). Waar het delict gepleegd werd, moet men ook weten, om de vraag te kunnen beantwoorden, of de Ned. Indische dan wel de vreemde rechter bevoegd is, bv. indien de wond te Singapore was toegebracht, B echter te Batavia daaraan gestorven is; ook in dit geval zijn beide rechters bevoegd. Het tijdstip, waarop het delict wordt gepleegd, moet men weten voor de beantwoording der vraag, wanneer het delict is verjaard (zie a. 405 I. R.); voor het begin van den verjaringstermijn kan m. i. slechts bet tijdstip der delict*voltooiing in aanmerking komen. Waar tusschen de handeling en het gevolg de invoering eener nieuwe strafbepaling valt, zal daarentegen het delict geacht moeten worden tijdens de werking der oude strafbepaling te zijn gepleegd (zie a. 1 Öv. Swb.; verg. S 26). Evenzoo zal, indien de handeling vóór den 16en jaardag verricht, doch het gevolg daarna ingetreden is, het delict geacht moeten worden op het tijdstip der handeling gepleegd te zyn voor de toepassing van art. i55 Swb. I. ')

') lu dit art. moet tusschen „beklaagde" en „beneden" gedacht worden: „tijdens liet plegen van het delict".

Sluiten