Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laster, hoon en beleediging (op klacht der „beleedigde partij", a. 291 Swb. I); de delicten in verband met leveranties enz. voor rekening der zee- of landmacht (op klachte der Regeering vervolgbaar, a. 356 Swb. I.). Ook elders vindt men nog eenige klachtdelicten, b. v. in- a. 1 nos: 8 en 9 Pol. I.; a. 29 Stbl. 1907 no. 182.

Wij moeten derhalve klacht wel goed onderscheiden van aangifte-, iets wat de wetgever niet steeds heeft gedaan, zie b. v. a. 58 R. O. Zulk eene klacht vormt eene voorwaarde voor de vervolgbaarheid van een delict, evenals b. v. machtiging van den G. G. (wederom niet te verwarren met „klacht") voor de vervolging van hooge ambtenaren wegens ambtsdelicten, •) van regenten enz. wegens alle delicten (a. 101 R. R.; a. 1 Stbl. 1867 no. 10).

De klachtdelicten worden verder niet in het Swb. I., noch elders t. a. v. Inlanders geregeld. De vraag, of en in hoeverre eene klacht kan worden ingetrokken, zal naar analogie van art* 10 Sv. voor Inlanders beantwoord moeten worden; wij komen daarop in het laatste hoofdstuk terug.

Het Ontw. daarentegen wijdt een geheelen titel (tit. VII van het I Boek, artt. 61—64) aan de klachtdelicten. Vooreerst wijst a. 61 de personen aan, die de klacht mogen indienen voor dengene, tegen wien het klachtdelict is gepleegd, indien deze den 16-jarigen leeftijd nog niet bereikt heeft en tevens minderjarig is of anders dan wegens verkwisting onder curateele is gesteld. Verder zijn termijnen aangewezen bij a. 63, waarbinnen de klacht moet zijn ingediend, en regelt a. 62 het recht tot indiening der klacht van overlevende naastbestaanden, voor het geval de „beleedigde partij" binnen die termijnen mocht zijn overleden. Ten slotte stelt a. 64 den termijn, gedurende welken men het recht heeft om de klacht in te trekken, op eene maand na de indiening dier klacht.

') Dit zijn delicten, die slechts door ambtenaren in verband met hun ambt gepleegd kunnen worden.

Sluiten