Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

De schuldleer: Psychische vermogens van den mensch; Oordeel des onderscheids en Strafrechtelijke verantwoordelijkheid; Dolus en Culpa; Dwaling.

6 74. Het ken- en Hebben wij in het vorig hoofdstuk in het algemeen gezien, denkvermogen, dat eeiie gedraging den mensch slechts kan worden toegerekend, indien schuld verband kan worden aangetoond, thans gaan wij onderzoeken, wat daar nog meer voor wordt gevorderd, en in welke verschillende vormen dat sch uldverband zich kan voordoen. Daartoe dienen wij vooraf in het kort de voornaamste eigenschappen van s menschen ziel en geest, in normalen toestand, na te gaan.

De mensch dan heeft vooreerst het vermogen, om door middel zijner zintuigen verschillende dingen, die buiten hem bestaan (objecten) waar te nemen, d. i. tot zijn bewustzijn te brengen. De waarde van dit vermogen wordt in niet geringe mate verhoogd door het geheugen, hetwelk maakt, dat het Avaargenoiueno niet onmiddellijk na de waarneming \eid~wijnt, maar een min of meer blijvend spoor achterlaat. Denkt men zich voor een oogenblik het geheugen geheel weg (voor zoover dit mogelijk is), zoo ziet men dadelijk in, welk een hulpeloos, niets beteekenend wezen de mensch zou zijn. Ilij zou zich van niets bewust kunnen worden dan van datgene, wat hij op het eigenste oogenblik in werkelijkheid waarneemt. Maai dit waarnemingsvermogen zou voor hem van niet het minste nut zijn, aangezien hij van het waargenomene niets hoegenaamd

Sluiten