Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wil kan men das definieeren als: het besluit tot eene bepaalde gedraging ter bereiking van een vooruit beoogd doel. Zooals wij weten, kan dit doel onmiddellijk door do handeling zelve, die daarop gericht is, bereikt worden; het kan ook verder gelegen zijn. In het laatste geval noemt men het: oogmerk. De gevoelens, die gepaard gaan met de begeerte om het doel of oogmerk tot vervulling te doen komen, m. a. w. de gevoelens, welke men zich voorstelt als gepaard gaande met de verwezenlijking van doel of oogmerk, noemt men de motieven of beweegredenen ') van den wil.

Wij zien dus, dat eene begeerte vooreerst tot het vormen van een icemch kan leiden; er gebeurt alsdan niets verder, alles gaat gewoon zijn gang. Maar leidt de begeerte tot den wil, om het begeerde in vervulling te brengen, zoo blijft niet alles zijn gewonen gang gaan, maar treedt eene bewuste gediaging van den mensch als schakel in de keten van oorzaken en gevolgen in. 2) Om zich een wil te kunnen vormen, moet men zich dus reeds bewust zijn van de wet van oorzaak en gevolg; zonder dat kan men onmogelijk bewust zoodanig handelen, dat daardoor een gewenscht gevolg wordt teweeg gebracht. 3) Een jeugdig kind is reeds in staat zich een wil te vormen, hoewel die \\ il natuurlijk slechts gericht kan zijn op oogmerken, die overeenkomen met de behoeften van een kinderziel. Zoo bv. zal een kind speelgoed en lekkernijen begeeren; het is dan wel tot zekere hoogte in staat, om zijne gedragingen zóó in te richten, dat het die verlangde zaken werkelijk verkrijgt.

Bij het stijgen der jaren verkrijgt men meer, en vooral ook andere behoeften: de wil. zal zich op geheel andere oogmerken richten, meer en meer geleid worden door het verstand. Die behoetten zullen niet meer van zoo eenvoudigen aard zijn; dikwijls zullen de verschillende behoeften, en de daarmede

') Motief en oogmerk staan derhalve ten nauwste met elkaar in verhand. Men waehte er zich voor. ze met elkaar te verwarren.

2) In hoeverre de menschelijke wil vrij, in hoeverre gedetermineerd is. vormt eene zuiver philosophische quaestie, die hier niet besproken kan worden. Deze vraag is voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid m. i. van geen belang.

3) Dikwijls komt het voor — en dit ziet men ook bij lagere dieren — dat eenige gedraging onbewust gericht is op een nuttig' doel. Zulke onbewust- doelmatige gedragingen noemt men instinctmatige gedragingen.

Sluiten