Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verantwoording worden geroepen; hij is nog niet toerekeningsvatbaar.

Tegenover wien, en ten aanzien van welke gedragingen men in het algemeen verantwoording schuldig is, hangt af van den aard der verschillende maatschappelijke verhoudingen. Zoo bv. zijn ambtenaren tegenover hunne meerderen verantwoording schuldig t. a. v. ambtelijke gedragingen; beheerders tegenover hunne lastgevers t. a. v. hun beheer; ouders tegenover kinderen t. a. v. hunne opvoeding. Naar gelang de verantwoordelijkheid gedragingen betreft, die slechts door' de zeden en gewoonten, of gedragingen die ook door het recht geregeld zijn, heeft men te doen met eene zedelijke, of eene rechtelijke (eventueel wettelijke) verantwoordelijkheid. Zoo zijn bv. de mensehen verantwoording schuldig aan de maatschappij t. a. v. die gedragingen, welke algemeen-maatschappelijke verhoudingen betreffen; deze verantwoordelijkheid is van zedelijken aard, de goed- of afkeuring van zulk eene gedraging uit zich door de openbare, meening, door achting of minachting. Voorzooverre deze gedragingen echter op straffe geboden of verboden zijn, is men daarvoor verantwoording schuldig aan den Staat (speciaal aan zijn orgaan: den strafrechter); in dit geval spreekt men van strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Om voor zijne gedragingen verantwoordelijk te kunnen worden gesteld, is het dus niet voldoende, dat men in staat zij, zich een wil te vormen; men moet daartoe bovendien tot het oordeel des onderscheids gekomen zijn; m. a. w. het is daartoe noodig, dat men in staat zij, de maatschappelijke verhoudingen in het algemeen te begrijpen, en daarnaar zijne gedragingen in te richten. Eerst dan is men toerekeningsvatbaar.

Op welken leeftijd iemand geacht kan worden, tot het oordeel des onderscheids gekomen te zijn, is niet precies te zeggen; de een zal eerder dan de ander de daarvoor vereischte trap van ontwikkeling bereikt hebben; dit hangt af van aanleg, opvoeding en tal van andere omstandigheden. Ons strafrecht neemt aan, dat iedereen, die zestien jaar oud is, beschouwd mag worden tot het oordeel des onderscheids gekomen te zijn; ook het Ontw. doet zulks: zie a. 35 Swb. 1. en a. 36 Ontw., welke artt. in het volgend hoofdstuk nader zullen worden

Sluiten