Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ver voerder van liet hout of de koffie (a. 26 Sbl. 1897 no. 61; a. 20 Sbl. 1.901 no. 2101 ten derde).

Bij art. 54 der Stoomvaartordonnantie (Sbl. 1906 no. 370) worden de eigenaars en gezagvoerder'» van schepen aansprakelijk gesteld voor de boeten, opgelegd wegens overtredingen dier ordonnantie, door wien ook begaan, terwijl het volgend art. het schip zelts voor boeten en gerechtskosten verbonden en executabel verklaart. ')

§ 82. Doieuse Bij doleu.se delicten moet het ongewenschte gevolg opzettelijk heten. veroorzaakt zijn. De wetgever stelt' zich dikwijls dit gevolg voor als zóó onmiddellijk en noodzakelijk aan eene bepaalde handeling verbonden, dat hij niet het ongewenscht gevolg, maar die speciale opzettelijke handeling strafbaar stelt. Dikwijls echter omschrijft hij het ongewenscht gevolg, tegen welks opzettelijke veroorzaking straf wordt bedreigd, soms zelfs in verband met eene bepaalde handeling.

Zoo wordt bij de opzettelijke toebrenging van slagen of kwetsuren eene opzettelijke, handeling zonder meer strafbaar gesteld; a. 360 Sicb. I. bedreigt straf wegens het opzettelijk vernielen o. a. van gebouwen door welk middel ook, art. 368 daarentegen in geval die vernieling geschiedt door het doen springen van een mijn (opzet resp. gericht op een gevolg zonder meer, en op een gevolg in verband met eene bepaalde handeling).

In het Ontiv. wordt in dergelijke gevallen als liet laatstbedoelde gewoonlijk de handeling omschreven en eenbepaald oogmerk daarbij als element van het delict opgenomen; zie bv. artt. 315, 324, 328, 335, 338 Ontw; zie ook bv. a. 112 Sicb. I.

Dikwijls bestaat een doleus delict in eene opzettelijke handeling (op zich zelf' reeds een delict vormende), gepaard met een bepaald gevolg, waarop het opzet niet is gericht, maar waarvoor men niettemin verantwoordelijk wordt gesteld. Een voorbeeld

') In sommige van deze gevallen kan men zeggen, dat de wetgever intellectueele daderschap heeft verondersteld (echter zonder de gelegenheid te openen tot het leveren van tegenbewijs!); in de meeste gevallen echter kan zelfs dit niet worden beweerd. Bij de behandeling der deelneming zullen wij nog andere gevallen ontmoeten, waarbij voor strafoplegging het bewijs van schuld niet wordt gevorderd (nl. bij de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van „bestuurders," en van drukkers, uitgevers en verspreiders van drukwerken).

Sluiten