Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men pleegt in de hier bedoelde gevallen het opzet eene bijzondere benaming te geven, als hadden wij met eene bijzondeie soort van opzet te doen; men spreekt in dergelijke gevallen nl. van voorwaardelijk opzei of dolus eventualis. Dolus eventualis beteekent echter, zooals wij later zullen zien, iets geheel anders; van een bijzonder opzet is in ons geval geen sprake.

Men heeft echter aldus geredeneerd: De dader heeft zijn oogmerk gericht op a, maar ziet in, dat daardoor onvermijdelijk (of met zeer groote waarschijnlijkheid) tevens b zal worden veroorzaakt. Liefst zou hij alléén a willen veroorzaken, maar nu dit niet anders gaat dan door tevens b als onvermijdelijk gevolg te aanvaarden, wil hij b óók. doch alleen omdat dit als het ware de voorwaarde vormt ter verkrijging van a.

Men ziet, dat hierbij niet het opzet voorwaardelijk is. Bovenstaande redeneering zou men evengoed kunnen toepassen op dit geval: A wenscht B te berooven, maar ziet daartoe geen kans, dan na B te hebben gedood. Hetdooden vormt dus eene voorwaarde voor het berooven; ook hierbij zou derhalve van dolus eventnalis gesproken moeten worden; maar dit doet, zeei terecht, niemand.

§ 84. Dolus in- Indien wij de artikelen van het Ontw. over mishandeling directus. (;lrtt. 305 en v.v.) vergelijken met de over hetzelfde onder¬

werp handelende artt. van het Stw. I. (artt. 22o en v. v., artt. 163 v. v.), zoo valt ons de in alle opzichten betere ïegeüng van liet Ontw. dadelijk op. Het meest opvallend verschil echter bestaat hierin: dat het ongewild doodelijk gevolg wel 111 het Ontw. maar niet in het Swb. I. als verzwarend element van mishandeling te vinden is. En nu rijst de vraag: hoe moet mishandeling met ongewild doodelijk gevolg volgens Swb. I. worden gequalificeerd en gestraft?

Verreweg de meeste j uristen antwoorden: als doodslag, en zoo beantwoordt ook de jurisprudentie deze vraag; m. i. is deze opvatting echter ten eenenmale onjuist. ).

Immers, volgent art. 211 Swb. I. is doodslag: „de moedwillige berooving van iemands leven"; duidelijk wordt m. i.

i) Wél echter in artt. 163 en 231 Swb. I., zooals wij zullen zien. Zie ook mr. W. De Gelder'S werk, I. blz. 370—372 (2e druk).

Sluiten