Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwestie van bewijs; de dolus indirectus wordt er in geenerlei opzicht door aanneemlijker gemaakt.

Men mag tot geene andere conclusie komen dan deze: dat de C. P. en dus ook onze nog geldende strafwet verzuimd heeft, te voorzien in het geval van mishandeling met ongewild doodelijk gevolg, behalve indien die mishandeling gericht is tegen bepaalde openbare ambtenaren, in ot ter gelegenheid van de waarneming hunner bediening (art. 165 Swb. /.), of indien zij in ontmanning bestaat (a. 231 Swb. I.) ')

§ 85. Aanduiding Of voor eenig delict dolus, dan wel slechts culpa vereischt van DoiusenCuipa Wordt, dient de strafwet met de meest mogelijke duidelijkheid in het Ontw. en inaan te geven. Bii doleuse delicten zal liet opzet dikwijls niet

op alle omstandigheden, die het delict helpen vormen, gericht behoeven te zijn; de strafwetgever zal dus ook precies hebben uit te drukken, welke elementen wèl, welke niet door het opzet worden beheerscht.

Ook in deze opzichten voldoet het Ontw. veel meer hoewel

het Swb.

l) Eene uitvoeriger behandeling' van dit onderwerp behoort meer in het bii zonder gedeelte thuis. Toch mogen nog eenige nadere korte opmerkingen omtrent deze aangelegenheid hier niet ontbreken. \ ooreerst de opmerking dat de strafwetgever wel degelijk onderscheidt, ot het opzet al dan nief'op den dood gericht is geweest; dit bewijzen de artt. 165 en 16 < Swb. I in verband met elkaar beschouwd. Art. 165 2e. lid nl. bedreigt de daar bedoelde mishandeling met den dood, indien zij binnen 40 dagen den dood van den mishandelde ten gevolge heeft gehad; art. lbt doet hetzelfde, indien de kwetsuren het karakter van doodslag dragen. Dit laatste kaïn niet anders beteekenen dan: indien uit den aard der kwetsuren bliikt dat het opzet op den dood was gericht, zoodat de daad dus doodslag of poging tot doodslag vormt; m.a.w. voor doodslag is vereischt, dat net opzet op den dood gericht zij, zoodat indien de dood het ongewild gevolg der kwetsuren is (al dan niet binnen 40 dagen), van geen doodslag- sprake mag- zijn. Eene andere opvatting zou tot de conclusie moeten leiden, dat elke verwonding die den dood ten gevolge heeft, al ware het over een jaar, „het karakter van doodslag" draagt, zoodat het 2e lid van art. l6o

g-een zin zou hebben. ,

Wanneer nu voor doodslag' van die bepaalde ambtenaren in ot ter o-elegenheid van de uitoefening hunner bediening, het opzet op den dood gericht moet zijn, waarom zou dit dan niet het geval moeten wezen bij eiken anderen doodslag, en zulks niettegenstaande de duidelijke bewooidingen

van art. 211 ? ..

Maar er is meer. Want niet alleen slagen of kwetsuren, maar elke andere opzettelijke handeling welke den dood tengevolge heeft, zou volgens de gangbare meening doodslag moeten opleveren, dus ook b. v. tevondelinglegging. Dit is evenwel niet de meening des wetgevers, want a 207 Swb, I. zegt uitdrukkelijk, dat tevondelinglegging met doodelijk

, . . n . _ 7 ./ /

oio- ais doodslag moet woruen uvxcnuuu<< n,

re vol

Sluiten