Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer op de wetenschap der wederrechtelijkheid. Lezen wij nu daarnaast art. 75 Sivb. zoo zien wij, dat daarbij de openbare ambtenaar, die eenige daad van willekeur pleegt waardoor inbreuk wordt gemaakt o. a. op iemands persoonlijke vrijheid, met eene straf wordt bedreigd, die aanmerkelijk lichter is dan de bij art. 258 gestelde. Zou dus de openbare ambtenaar, die willens en wetens iemand in strijd met de wet van zijne vrijheid berooft, lichter in plaats van zwaarder gestraft moeten worden dan de ambtelooze burger, die zich aan hetzelfde feit schuldig maakt? Waarschijnlijk is dit niet de bedoeling des wetgevers geweest; deze heeft in art. 75 den politieambtenaar willen treffen, die in overdreven dienstijver zoodanig zijne bevoegdheid te buiten gaat, dat hij daardoor in strijd met de wet iemand van zijne vrijheid berooft, b.v. de wedana die in het belang der zaak een voorloopig door hem gehoord getuige tegen zijn zin door een politieambtenaar voor den regent doet geleiden (verg. a. 48 I. R.) Maakte de wedana echter van zijn positie als politieambtenaar misbruik, om willens en wetens zonder wettige reden zijn vijand gevangen te zetten, zoo valt hij m. i. onder art. 258 Siob. I. In het eerste geval heeft hij zonder, in het laatste geval met „boos opzet" gehandeld.

§ 87. Begrip Men ziet, dat het begrip van dolus malus of boos opzet onmis„doius malus" voor baar is, om de onnauwkeurige redactie van de geldende strafwbb. het nieuwe straf- aan te vullen. Tal van strafbepalingen zijn zoodanig gesteld, recht overbodig. dat de onschuldig8te handelingen, geheel te goeder trouw verricht, bij letterlijke toepassing der wet zwaar gestratt zouden kunnen worden. Vandaar, dat men in het algemeen vordert, dat de dader te kwader trouw (met de bedoeling, iets slechts te doen) moet hebben gehandeld.

Rij eene nauwkeurige redactie is het begrip van dólus malus geheel overbodig; zoo zal men dit begrip dan ook geheel kunnen laten varen bij de toepassing van het nieuwe, op het Ontw. gebaseerde, strafrecht. Dit wordt ons duidelijk, indien wij b.v. de artt. 209 en 2*7 Ontw. vergelijken met resp. artt. 87 en 258 Sicb. 1. om ons slechts tot de twee behandelde voorbeelden te bepalen.

Is men bij de toepassing der geldende strafwetboeken dus

Sluiten