Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene andere vraag", welke wij in het aan de „Poging" gewijd hoofdstuk zullen onderzoeken.

De vraag, in hoeverre dwaling in elk gegeven geval invloed op de strafbaarheid uitoefent, lost zich dus op in deze andere vraag: op welke omstandigheden precies het opzet gericht moet zijn. En wij kunnen daarom dezen regel vooropstellen:

Dwaling in eenige omstandigheid zal slechts dein en in zooverre op de strafbaarheid invloed uitoefenen, als en voorzooverre die strafbaarheid afhankelijk gesteld is van het op die omstandigheid gericht opzet.

Dit spreekt eigenlijk zóó van zelf, dat nadere beschouwingen nauwelijks noodig zijn.

Men onderscheidt de dwaling gewoonlijk, naar gelang der omstandigheid ten aanzien waarvan zij plaats heeft, in:

a. dwaling in het reclit, d. w. z. dwaling t. a. v. de al dan niet strafrechtelijke wederrechtelijkheid van eenige gedraging (men meent iets geoorloofds te doen, maar het blijkt niet geoorloofd te zijn);

b. dwaling in de feiten, d. i. in alle andere omstandigheden die met een delict in verband staan; welke dus ook in eene rechtsdwaling kan bestaan, mits niet van bovenbedoelde soort; b.v. men neemt arglistig zijn eigen effecten weg denkende dat zij een ander toebehoorden.

!■ Dwaling Dwaling in het recht oefent in het algemeen geenerlei inrecht. vloed uit op de al of niet strafbaarheid, omdat het opzet in het algemeen niet op de wederrechtelijkheid gericht behoeft te zijn; wij zagen dit reeds in § 68. Wanneer echter het delict van dien aard is, dat de wetenschap der wederrechtelijkheid daarvan een element vormt, wanneer m. a. w. eenige gedraging slechts dan strafbaar is gesteld, indien het opzet mede op de wederrechtelijkheid gericht is en anders niet, zoo sluit de dwaling hieromtrent natuurlijk de strafbaarheid uit, omdat alsdan geen delict is gepleegd. Wij weten, dat het in onze geldende strafwet veelal aan de wetenschap is overgelaten om uit te maken, in welke gevallen het hierbedoelde element al dan niet vereischt wordt, maar dat het Ontw. dit steeds uitdrukkelijk aangeeft (verg. §§ 86—88).

Het Ontw. doet dit gewoonlijk door de woorden „opzettelijk

Sluiten