Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wederrechtelijk". Volgens het steeds in acht genomen beginsel, dat „opzettelijk" alles beheerscht wat erop volgt, niet wat daaraan voorafgaat (zie § 80), wordt hierdoor ondubbelzinnig uitgedrukt, dat de wetenschap der wederrechtelijkheid een element van het delict vormt.

Maar nu komen die woorden in het Ontw. ook zoodanig voor, dat zij door het woordje en van elkaar gescheiden zijn; en dan gaat bovenstaande regel omtrent de plaatsing van „opzettelijk" volgens veler meening niet meer op. Volgens hen zouden, in de uitdrukking „opzettelijk en wederrechtelijk," de beide begrippen zelfstandig naast elkaar• staan, zoodat elk onafhankelijk van elkaar beheerscht wat erop volgt; m. a. w. in zoo'n geval zou het opzet niet op de wederrechtelijkheid gericht behoeven te zijn; anderen daarentegen maken tusschen beide uitdrukkingswijzen geen verschil. Men vergelijke bv. art. 287 met art. 362 Ontw.; ook art. 1 en 3 Sbl. 1876 no. 135 gebruiken laatstbedoelde uitdrukkingswijze ').

§ 93. Dwaling hoeverre dwaling in feiten op de strafbaarheid invloed

in de feilen. uitoefent, hangt natuurlijk mede af van de vraag, in hoeverre het opzet al dan niet op die feiten gericht moet zijn.

De dwaling kan vooreerst feiten betreffen, die voor eenig delict essentieel zijn (essentialia), d. z. feiten, die voor het vormen van een delict niet gemist kunnen worden. Dwaling in dergelijke feiten doet een noodzakelijk element van een delict ontbreken, zoodat in zulk een geval geen delict wordt gpleegd. Bv. ik wil eene zaak van een ander wegnemen, maar deze blijkt van mij zeiven te zijn; of omgekeerd: ik neem eene zaak

') Ook ik ben van meening, dat door den wetgever geen verschil bedoeld werd, en dus geen verschil mag worden aangenomen. Vooreerst toch blijkt niet, dat men op het beginsel omtrent de plaatsing van liet woordje „opzettelijk" eene uitzondering heeft willen maken. Verder is deze opvatting ook taalkundig te verdedigen, al zou het beter geweest zijn, indien het woordje en steeds weg ware gebleven. Ten slotte zou de wederrechtelijkheid alléén, zonder meer, als element van eenig delict geheel overbodig zijn en dus geen zin hebben; immers hetgeen rechtmatig geschiedt, kan nooit strafbaar zijn (verg. § 62). Niemand zal bv. het vernielen van andermans g'oed op krachtens art. 7 Swb. I. g'egeven bevel des rechters strafbaar achten, ofschoon art. 3 no. 9 Pol. 1. de wederrechtelijkheid niet als element van het delict opneemt. Had de maker van het Ontw. (liever: de ontwerper van het Nederlandsch strafwetboek) inderdaad ergens (bv. in a. 362 Ontw.) de wederrechtelijkheid alléén als element willen opnemen, zoo zou hij zeker ,,wederrechtelijk" vóór „opzettelijk" hebben geplaatst,

Sluiten