Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorschrift (en bovendien van een ambtelijk, bevel), zoo is deze dood zeer zeker toerekenbaar, maar niet wederrechtelijk; wanneer daarentegen een krankzinnige eene zaak van een ander moedwillig vernielt, v.oo zal deze daad als niet-toerekenbaar, maar niettemin als wederrechtelijk beschouwd moeten worden.

Wij onderscheiden derhalve,

a. gronden tot uitsluiting der toerekenbaarheid: jeugdige leeftijd, abnormale geestestoestand;

b. gronden tot uitsluiting der wederrechtelijkheid (rechtvaardigingsgronden): overmacht, noodtoestand, noodweer, wettelijk voorschrift, ambtelijk bevel, en eenige andere noch in het Stwb. I. noch in het Ontw. voorkomende omstandigheden.

Overmacht, noodtoestand en noodweer, die nauw aan elkaar verwant zijn, worden nu eens gerekend tot de gronden, die de toerekenbaarheid uitsluiten, dan weer tot de rechtvaardigingsgronden. Men handelt in alle drie gevallen, terwijl men min of meer in een toestand van nood verkeert, d. w. z. onder den invloed van eenigen dwang '). Wil dwangoefening echter de toerekenbaarheid geheel uitsluiten, zoo moet zij van dien aard zijn, dat de handeling te beschouwen is als niet of nagenoeg niet door den wil der handelende persoon, maar bijna uitsluitend door de dwingende omstandigheden veroorzaakt. 2) Dit gaat bij overmacht weieens op, minder vaak echter bij noodtoestand en noodweer. Aan den anderen kant heffen alle drie omstandigheden steeds de wederrechtelijkheid op; eene daad, hetzij door overmacht, hetzij in noodtoestand, hetzij in noodweer gepleegd, is nooit als wederrechtelijk, meestal als rechtmatig te beschouwen. Daarom is het m. i. juister, de hier bedoelde omstandigheden tot de rechtvaardigingsgronden te rekenen. 3)

') Nood beteekent oorspronkelijk: dicany, door den eenen mensch op den anderen uitgeoefend (vandaar: nooden, noodzaken); later meer speciaal: dicany, uitgeoefend door omstandigheden. Langzamerhand werden die dringende omstandigheden '/.elf, niet meer de daardoor uitgeoefende dwang, door het woordje nood uitgedrukt, en kreeg dit de beteelcenis van gebrek kommer, moeite, gevaar enz.

2) Als directen uitsluitingsgrond zou men dan niet de overmacht enz. (den uitgeoefenden dwangx mogen beschouwen, maar de daardoor veroorzaakte onvrijheid der wilsbepaling.

3) Staat in een concreet geval de toerekenbaarheid van een ig strafbaar gesteld feit vast, zoo heeft men een delict gepleegd en i.s men strafbaar. Hetzelfde delict

Sluiten