Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. Jeugdige leeftijd.

§ 97. stelsel, Het Swb. I. geeft geen bepaalden leeftijd op, waar beneden door het Su'b. I. de toerekeningsvatbaarheid des daders, en daardoor de toeregevoigd. kenbaarheid der daad als absoluut uitgesloten moet worden beschouwd, zools het Ontw. doet. Maar het veronderstelt slechts de mogelijkheid, dat ' iemand heneden W-jarigen leeftijd nog niet tot het oordeel des onderscheids is gekomen, zonder dat zulks aan abnormalen geestestoestand behoeft te worden geweten. Artt. 35 en ,36' Swb. I. schrijven nl. voor, dat indien de beklaagde beneden de 16 jaren oud is ') (wat bij Inlanders, wegens het ontbreken voor hen van registers van den burgerlijken stand, meestal moeilijk met zekerheid zal zijn uit te maken), de rechter vooraf zal moeten onderzoeken, of hij al dan niet met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, d. w. z. al dan niet toerekeningsvatbaar is (§§ 77 en v.). Immers, volgens die artt. zal de rechter zulks hebben uit te maken, te beslissen.

Wordt de vraag bevestigend beantwoord, zoo wordt beklaagde vrijgesproken, hij wordt alsdan dus niet gestraft, en kan aan zijne ouders of naaste bloedverwanten worden teruggegeven. Maar óók kan de rechter in dat geval bij vonnis zijne plaatsing in een verbeterhuis bevelen voor een bepaald aantal jaren, doch niet langer dan tot zijn 20e jaar. Dit laatste zal

kan echter onder tal van verschillende omstandigheden gepleegd zijn, die maken, ■dat het eene geval met veel zwaardere straf zalmoeten worden geboet dan het andere. Van daar, dat de wetgever over het algemeen geen absoluut bepaalde straffen op de delicten stelt, maar een minimum en een maximum aangeeft, hot den rechter overlatende, in elk concreet geval met inachtneming van alle omstandigheden een billijke straf te bepalen, die de gestelde grenzen niet overschrijdt. Bovendien echter wijst de wet bepaalde omstandigheden aan, die den rechter hetzij verplichten hetzij bevoegd verklaren, tot oplegging van een straf, onder het minimum of boven het maximum vallende, of zelfs van eene andere soort straf (verschoonende, verzachtende, verzwarende omstandigheden). Vele dezer omstandigheden nu, vinden hun reden van bestaan in de overweging, dat zij de mate van toerekenbaarheid verminderen resp. verhoogen; en vele ervan zijn dan ook nauw verwant aan de omstandigheden, die de toerekenbaarheid geheel uitsluiten. Beide soorten omstandigheden worden dan ook gedeeltelijk, zoowel door het Swb. 1. als door het Ontw. in denzelfden Titel behandeld. Wij zullen de verschoonende, verzachtende en verzwarende omstandigheden echter in hoofdzaak in verband met de straftoemeting behandelen.

') De bedoeling is: „wanneer hij tijdens het plegen van het feit" enz. Zie ook blz. 96.

Sluiten