Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet tot het oordeel des onderscheids gekomen is." Immers, het oordeel des onderscheids is afhankelijk van den algemeeïien geestestoestand van den mensch; men kan niet de eene handeling wèl, de andere niet met oordeel des onderscheids verrichten; de vraag kan slechts zijn, of men al dan niet tot het o. d. o. gekomen is.

Verder heeft het Swb. 1. zich blijkbaar niet de mogelijkheid voorgesteld, dat de rechter op deze vraag weieens liet antwoord schuldig moet blijven; Mag in zoo'n geval dan gestiaft worden? m. a. w. moet men in zoo'n geval aannemen, dat beklaagde wél, óf dat beklaagde niet tot het o. d. o. gekomen is? De vraag kan niet anders dan in laatstbedoelden zin beantwoord worden, daar het oordeel des onderscheids niet anders uitdrukt dan toerekeningsvatbaarheid en dus als onmisbare voorwaarde te beschouwen is voor de toerekenbaarheid. Art. 36 Ontw., 2e en 5>' lid, gebruikt in dit opzicht de juiste redactie. ') § 98. stgisei. Het Ontw. volgt een eenigszins ander stelsel. Volgens het óoorhe}sdntw. Ontw. toch vormt de leeftijd beneden het tiende jaar een grond g^xrfgd. volstrekte uitsluiting der toerekenbaarheid, terwijl eerst tus-

schen 10- en 16-jarigen leeftijd een onderzoek naar het oordeel des onderscheids geboden wordt.

Art. 35 nl. bepaalt, dat een kind wegens een feit, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt, zelfs niet strafrechtelijk vervolgd mag worden. Zelfs de mogelijkheid dat het feit hem wellicht zou kunnen worden toegerekend, wordt hierdoor dus uitgesloten. Wèl kan zoo'n kind, op schriftelijk verzoek van het hoofd van plaatselijk bestuur, door den burgerlijken rechter ter verpleging en opvoeding worden toevertrouwd aan een bijzonder persoon of eene bijzondere inrichting, en wel tot den leeftijd van ten hoogste twintig jaren, en slechts in geval het begane feit in de bepaling van een misdrijf zou vallen, of bedelarij of landlooperij zou vormen (art. 35 Ontw.; zie verder nog het 3e lid van dit artikel).

') Men lette op de plaatsing van het woordje niet, (van de negatie). Het Ontw. stelt niet de vraag: „blijkt het, óf dat met o.d.o. gehandeld is, óf dat zulks niet het geval is?" maar: „blijkt het of blijkt het niet, dat hij met o.d.o gehandeld heeft?" In het eerste geval moet er iets blijken, nl. óf punt a, ót punt b; in het tweede geval is er slechts van één punt sprake, en wordt er gevraagd, of dit blijkt, of niet blijkt.

Sluiten