Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 103. Kortstondige storing der geestvermogens; onbewustheid.

zij verliezen niet liet begrip der verhoudingen tusschen zich zeiven en de buitenwereld, die zij geheel normaal waarnemen, en herkennen dergelijke zich opdringende voorstellingen, onmiddellijk als niet-bestaande. Hiertoe is een krankzinnige evenwel niet in staat, zoodat zijne gedragingen geheel beheerscht worden door motieven en oogmerken die regelrecht in het leven zijn geroepen door die waanbeelden en -voorstellingen, niet door normale indrukken uit de buitenwereld, óf wel door abnormale lust- en onlustgevoelens. Deze personen handelen, zou men kunnen zeggen, evengoed met opzet als normale menschen: de daartoe noodige wil is bij hen echter door geheel verkeerde voorstellingen bepaald, en daarom kunnen krankzinnigen niet als toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Dergelijke verschijnselen als bij ziekelijke storing der geestvermogens, maar dan van zeer tijdelijken, voorbijgaanden aard, doen zich dikwijls als gevolg van verschillende min of meer abnormale toestanden voor. Zoo krijgen vele, overigens geestelijk normale personen vlagen van zinsverbijstering bij hevige koortsaanvallen, bij zwangerschap en onder het baren; vooral komt het dikwijls voor, dat lijders aan vallende ziekte (epilepsie) kort vóór het oogenblik, waarop zij geheel bewusteloos worden, in een toestand geraken, die niet veel van vervolgingswaanzin verschilt, en waarin zij onbewust een misdaad plegen. Hetzelfde kan voorkomen in een toestand van slaapdronkenheid, dronkenschap, mata gêlap, latah enz.

Vooral in deze gevallen is het hoogst lastig uit te maken, of men op het oogenblik der misdaad al dan niet toerekeningsvatbaar was. Deze abnormale geestestoestand toch duurt meestal zeer kort, van krankzinnigheid is hierbij geen sprake, in vele gevallen zelfs niet van eene kortstondige ziekelijke storing. De ontoerekenbaarheid der daad in zulk een toestand gepleegd, zal moeten worden opgemaakt uit verschillende omstandigheden, bv. uit het geheel ontbreken van eenig motief, uit het feit dat de delinquent ook vroeger weieens dergelijke aanvallen kreeg onder dezelfde omstandigheden, dat ditzelfde ook bij familieleden van hem voorkomt enz. De ontoerekenbaarheid mag veilig worden aangenomen, indien het blijkt, dat de dader zich van zijne daad en van de omstandig-

Sluiten