Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden, waaronder deze heeft plaats gevonden, hoegenaamd niets herinnert; dit toch vormt het zekerste bewijs voor het feit, dat de dader onbewust gehandeld heeft. Natuurlijk, dat ook hierbij deskundig advies onmisbaar is.

Ten aanzien van de hier bedoelde gevallen valt op te merken, dat noch het Swb. I., noch het Ontw. den staat van onbewustheid, tijdens de handeling als grond voor uitsluiting der toerekenbaarheid heeft opgenomen. Bij de beraadslaging over de redactie van art. 37 van het Nederlandsch Swb. (= a. 34 Ontw.) is veel gesproken over de opneming van den toestand van bewusteloosheid als grond voor uitsluiting der strafbaarheid. Dit woord was echter zeer slecht gekozen; iemand die bewusteloos is, kan eenvoudig niet handelen, is op dat oogenblik in dit opzicht geheel gelijk aan een zielloos voorwerp. ') Maar ook bedoeld als toestand van onbewustheid vond men het niet noodig, om „bewustloosheid" als uitsluitingsgrond uitdrukkelijk in de wet op te nemen, .aangezien een onbewust bedreven feit nooit door opzet of schuld kan zijn veroorzaakt, zoodat elk schuldverband in zoo'n geval onbreekt.2) § 104. Gebrek- Gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens is het gevolg van e ontwikkeling gebrekkige ontwikkeling der hersenen. De oorzaken hiervan gens zijvi meestal niet na te gaan, terwijl het onderzoek daarnaar

in elk geval tot de medische wetenschap behoort; zij kunnen reeds vóór de geboorte aanwezig, of zelfs overgeërfd zijn, of ook in eene vroegere hersenziekte gezocht moeten worden. De

') Bewusteloosheid duidt den alt/emeenen toestand aan van een mensch, die zijn bewustzijn geheel verloren heeft; onbewustheid geeft eene betrekking van een mensch tot iets anders aan, waardoor wordt uitgedrukt, dat dit iets niet tot zijn bewustzijn komt. Men kan daarom wel zeggen: „die man is bewusteloos," maar niet: „die man is bewust." Daarentegen zegt men wel: „die man is zich onbewust van zijne daad,: hij heeft die daad, onbewust gedaan," maar kan men niet zeggen: „hij is van die daad bewusteloos, of hij heeft die daad bewusteloos verricht."

2) In dit verband is ook gesproken over de mogelijkheid, dat vooraf het opzet gericht wordt op eenig misdadig oogmerk, waarna men zich gaat bedrinken met het doel, om in den toestand van bewusteloosheid de beoogde misdaad te volvoeren: en men vroeg zich af, of in zulk een geval de in bewusteloosheid (onbewustheid) gepleegde daad niet den dader zou moeten worden toegerekend. De onderstelde mogelijkheid is echter — zooals thans vrij algemeen wordt aangenomen — denkbeeldig. Wat men onbewust doet, kan onmogelijk als gevolg beschouwd worden van een vooraf opgevat voornemen.

Sluiten