Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeen niet ernstiger karakter aannemen dan noodig is voor die verdediging. Wij weten echter, dat bet niet aangaat, aan dezen eisch streng vast te honden. Het Swb. 1., zagen wij, heeft zelfs t. a. v. eenige concrete gevallen voor de noodweer ruimere grenzen gesteld. Dit doet het Ontw. terecht niet: maar liet stelt in het algemeen de overschrijding van de grenzen deinoodzakelijke verdediging niet strafbaar, indien deze te wijten is aan hevige, door de aanranding veroorzaakte, gemoedsbeweging (bv. angst, verontwaardiging, drift enz.). „Noodzakelijke verdediging" drukt hierbij zoowel de noodzakelijkheid der verdediging op zich zelve uit, als die van het middel tot veidediging. Hevige angst. bv. kan iemand bij de beoordeeling èn van de vraag of verdediging al dan niet noodig is, èn van die, of het middel tot verdediging wel het passendste is, zeer in den weg staan. Zoowel hij dus, die bij eene plotselinge aanranding door hevigen angst ot schrik ertoe gebracht wordt, zich tegen die aanranding te verdedigen, ofschoon later die verdediging niet noodig bleek, als hij die onder dezeltde omstandigheden te zijner verdediging den aanrander doodt, terwijl eenige flinke slagen waarschijnlijk daartoe voldoende zouden geweest zijn, zullen zich op het 2e lid van a. 38 Ontw. kunnen beroepen.

V. Wettelijk voorschrift en ambtelijk bevel.

§ 113. Aigemee- Het spreekt wel van zelf, dat iets wat geboden wordt door ne opmerkingen, den wetgever, nooit strafbaar kan zijn. Gestraft- wordt wel eene overtreding van eene wettelijke norm, maar nooit het nakomen daarvan. Het behoefde dus eigenlijk niet uitdrukkelijk in de wet gezegd te worden, dat eene daad welke op zichzelt beschouwd een delict zou vormen, het karakter van delict verliest, indien zij geboden wordt door den wetgever.

Evenmin kan eenig ondergeschikt ambtenaar gestraft worden wegens eenige daad, die hij pleegt op bevel van zijn meerdere, indien het geven van het bevel binnen de bevoegdheid van dien meerdere, het nakomen daarvan binnen de ondergeschiktheid van dien ondergeschikte valt; tenzij bewezen wordt, dat hij mede schuldig is.

Sluiten