Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaardigingsgrond genoemd. Wel daarentegen ambtelijk bevel, nl. eens in a. 15, 3e lid t. a. v. het inbreuk maken op iemands vrijheid of kiesrecht door een openbaar ambtenaar, en andermaal in a. 137 betrekkelijk een bijzonder geval, van „misbruik van gezag." Beide artt. vorderen, dat het bevel zij gegeven t. a. v. zaken, tot de bevoegdheid van den gelastenden ambtenaar behoorende, en omtrent welke hun eene „volstrekte gehoorzaamheid" door den uitvoerenden ambtenaar was verschuldigd. Geen enkel ambtenaar is echter verplicht, zijn meerdere blindelings als eene machine te gehoorzamen; met dit „volstrekte" neme men het dus niet zoo nauw.

Hebben wij uit deze casuïstische regeling af te leiden, dat de hier bedoelde rechtvaardigingsgronden slechts t. a. v. die drie gevallen gelden ? Niemand, die zulks zou willen beweren; want was het onderstelde wèl het geval, zoo zou elke openbare ambtenaar zich telkens aan eene strafvervolging blootstellen. De deurwaarder zou, door beslag te leggen op goederen en deze te verkoopen ter executie van een vonnis, zich schuldig maken aan een delict; evenzoo zou de chef van het postkantoor of de bestelhuishouder, een brief krachtens vordering der bevoegde autoriteit terughoudende (verg. Sbl. 1893 no. 240), niettemin volgens a. 134 Sich. I. strafbaar zijn; enz.

Wat evenwel nog bedenkelijker zou zijn is dit, dat elk ondergeschikt openbaar ambtenaar het recht, ja de verplichting erdoor zou verkrijgen, om elk bevel van zijn meerdere zelfstandig te beoordeelen en deszelfs opvolging te doen afhangen van zijn persoonlijke inzichten omtrent de al dan niet rechtmatigheid van dat bevel. Want alsdan zou hij voor elke op bevel van zijn meerdere gedane ambtsverrichting dezelfde strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen als zijn meerdere. Een wedana bv. zou dan kunnen weigeren, een bevel van den regent tot gevangenneming van een persoon na te komen, op grond dat hij niet van de wettigheid dier gevangenneming overtuigd was.

De twee hier besproken rechtvaardigingsgronden zijn dan ook zóó onmisbaar en liggen zóó in den aard der zaak, dat men ze, zelfs zonder eenige regeling, algemeen zou moeten

Sluiten