Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten gelden. Het Ontn\ heeft ze terecht als algemeen geldende rechtvaardigingsgronden erkend in de beide volgende artt: art. 39: „Niet strafbaar is hij, die een feit begaat ter uitvoering van een

wettelijk voorschrift," (verg. a. 92 Ontw. en noot 1) op blz. 33). art. 40: „Niet strafbaar is hij, die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag. Een onbevoegd ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen."

Deze artt. vereischen na het voorafgaande geene toelichting; zij geven vrijwel de thans reeds geldende opvatting weer. Men lette speciaal op het 2® lid van art. 40, waarbij zelfs beroep op een onbevoegd gegeven bevel wordt opengelaten, indien de ambtenaar slechts kan aantoonen (of althans den rechter aanneemlijk weet te maken), dat hij het bevel te goeder trouw als bevoegd gegeven heelt beschouwd en het verrichten van handelingen, als hem bevolen werden, in het algemeen tot zijn ambtsplicht behoorde.

VI. Andere rechtvaardigingsgronden.

§ 115. Aigemee- Het Swb. kent nog slechts één enkele rechtvaardigingsgrond ne opmerkingen. clie echter tot de speciale gevallen, waarvoor hij in het leven is geroepen, beperkt moet blijven, nl. die van art. 68 Sicb. /., ook toepasselijk t. a. v. de in artt. 91, 93, 180 bedoelde delicten. Het Ontw. kent er eenige meer; zie artt. 139, 154, 189, 264, 411. ').

Evenwel bestaan er nog verschillende omstandigheden, die hoewel niet als zoodanig uitdrukkelijk erkend, toch uit verschillende overwegingen vrij algemeen als rechtvaardigingsgronden worden aangenomen. In § 62 (blz. 86) zagen wij reeds, dat elk in het algemeen als delict te qualificeeren feit niet ais zoodanig kan gelden in bijzondere gevallen, welke door het recht hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend zelfs, als rechtmatig worden erkend. In vele, maar niet in alle gevallen vindt hierbij de regel: „lex specialis derogat generali," toepassing (verg. blzz. 8 v.).

') De gevallen, bedoeld in artt.. 64, 69, 298 Swb. /. en in art/. 50, 51, 323, 326, 333 349, 359, 367, Ontw. vormen zuivere strafuitsluitingsgronden. Op artt. 50 en 51 Ontw. komen wij in hoofdstuk IX uitvoerig terug.

f

Sluiten