Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jfc

f !22. St-raf'"re poging volfns Swb. I. en ! ntw- in hetbij*°nder. >

men neemt dan aan, dat het gestommel de onmiddellijke oorzaak is geweest van de niet-voltooiïng van het delict.

Voorbeelden van geheel toevallige omstandigheden zijn: men schiet, maar het wapen ketst en gaat niet af; of wel, het wapen valt uit de hand of wordt er uit geslagen; men wil stelen, maar vindt niets in de brandkast; men wil een huis in de lucht doen springen, maar de lont gaat uit vóórdat het vuur het kruit bereikt; enz.

Uit het bovenstaande blijkt, dat volgens ons Swb. I. strafbare poging gevormd word door: elke gedraging, waaruit een misdadig voornemen blijkt en icaardoor een begin aan de uitvoering van het delict wordt gemaakt, mits die uitvoering door geheel van den wil des daders onafhankelijke omstandigheden onvoltooid blijft. Drie elementen heeft dus de strafbare poging:

1e. het opzet, gericht op een misdadig doel;

2e. eene gedraging, vormende een begin van uitvoering van het delict;

3e. omstandigheden, uitsluitend van daders wil onafhankelijk, waardoor de voltooiing wordt belet.

Het bovenstaande geldt ook voor het Ontw. welks art. 42 de poging strafbaar stelt, „wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid."

Behalve dat de poging, om in het algemeen strafbaar te zijn* aan bijzondere voorwaarden heeft te voldoen, is poging tot bepaalde soorten van delicten, zoowel volgens het Swb. I, xls volgens het Ontw. in het geheel niet strafbaar gesteld. Waar dit wèl het geval is, wordt gewoonlijk eene lichtere itrat bedreigd, dan die op het voltooide delict gesteld is.

Het Swb. 1. regelt dit in artt. 3 en 4, welker inhoud op het volgende neerkomen:

Poging tot misdrijf, waarop een der vier zwaarste straffen is gesteld, is altijd strafbaar en wel met de straf, volgende op die, waarmede het voltooide misdrijf is bedreigd, met dien verstande, dat de dwangarbeid buiten den ketting een minimum krijgt van 1 jaar (a. 3, le en 3e lid). T. a. v. boeten en bijkomende straffen geldt deze bepaling

a.

Sluiten