Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken; waar er geen sprake van een voltooid delict heeft kunnen zijn, zoo redeneeren zij, daar kan ook geen poging daartoe bestaan, want een begin van uitvoering is hierbij onmogelijk. Een ander geval is het, volgens hen, indien het middel ot' het object in het algemeen wèl tot de voltooiing van het delict had kunnen leiden, maar in het concrete geval niet, daar het in verband met toevallige omstandigheden ondeugdelijk blijkt te zijn. Zij onderscheiden daarom absolute ondeugdelijkheid, waardoor onder geen enkele omstandigheid het delict gepleegd had kunnen worden, van relatieve ondeugdelijkheid, d. i. eene ondeugdelijkheid, die slechts door toevallige omstandigheden te voorschijn is geroepen. Bovenstaande voorbeelden geven gevallen van absolute ondeugdelijkheid aan; een relatief-ondeugdelijk middel zou men bv. hebben, indien de dader arseniek had ingegeven, maar te weinig of te veel 0111 te dooden; een relatiefondeugdelijk object, indien men het gif aan iemand had toegediend. op wien het geene doodende uitwerking kon hebben. ')

De subjectivisten verwerpen deze leer. Zij zeggen, dat, waar in geval van poging niet wegens een delict gestraft wordt, maar wegens een op eenig delict gericht voornemen, alle nadruk ook op dit subjectieve element gelegd moet worden. Wel is waar moet dit voornemen zich door een begin van uitvoering openbaren, maar die uitvoeringshandeling behoeft niet zoodanig te zijn, dat zij objectief tot het voltooid delict zou kannen leiden 2); voldoende is het, indien zij subjectief een begin van uitvoering vormt. M. a. w. die handeling behoeft niet in werkelijkheid een begin van uitvoering te vormen; voldoende is het, indien zulks slechts in den geest des daders het geval is.

De aanhangers van beide theorieën zijn het er over eens, dat de reden, waarom de dader reeds voor poging gestraft dient te worden, gelegen is in het feit, dat hij werkelijk getoond heeft

') Om vergissingen te voorkomen, zij men er op gewezen, dat „de toeleg op iemands leven door toediening van levensgevaarlijke stoffen" volgens onze strafwet nog het zelfstandig delict „vergiftiging;" vormt (zie a. 217 Swb. I.). 0 : .

2) Zooals wij zullen zien, wordt dit door de suhjectivisten zelfs voor onmogelijk gehouden, en terecht. Van een verwacht gevolg, dat in werkelijkheid niet is ingetreden, kan men nooit met redelijken grond beweren, dat het had kunnen intreden. Zie verder § 125.

Sluiten