Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l

(

(

]

(

I

§ 125- Critiek der objectieve en sub- < jectieve theorieën.

gevaarlijk te zijn, en wel door eene gedraging, die in elk ge/al ondubbelzinnig wijst _ op het vaste voornemen, om een lelict te plegen (eene uitvoeringshandeling; zie vorige §). De jbjectivisten nu eischen, dat die gedraging zelf een gevaar moet lebben opgeleverd, en dit is volgens hen alleen het geval, als . iij onder gewone omstandigheden tot de voltooiing van het delict iou hebben geleid. Neen', zeggen de subjectivisten, het gevaar schuilt eenig en alleen in den dader; heeft hij door zijne geiraging getoond, het vaste besluit tot het volvoeren van een ielict te hebben gehad, zoo is hij reeds strafbaar.

M.i. is de subjectieve opvatting de juiste. De redeneering ier objectivisten toch, dat er geen sprake van uitvoeringshandeling kan zijn, waar de voltooiing van het delict absoluut was uitgesloten, maar wèl waar de mogelijkheid daartoe had bestaan, gaat niet op. Immers, waar in werkelijkheid het delict niet voltooid is, daar blijkt die voltooiing in dat geval ook onmogelijk te zijn geweest; m. a. w. bij elk geval van poging is le onmogelijkheid der voltooiing gebleken. Objectief beschouwd bestaat er geen mogelijkheid, want objectief is alles zeker. Kon ie mensch alles weten, zoo zou het begrip „mogelijkheid" niet bestaan. Waar van „mogelijkheid" gesproken wordt, bedoelt men steeds eene subjectieve onzekerheid. Zoowel bij eeue absolute, als bij eene relatieve ondeugdelijkheid van middel of object staat dus objectief de onmogelijkheid vast, alleen subjectief niet. Indien men beweert, dat in het eene geval van een begin van uitvoering niet gesproken kan worden omdat het voltooien van het delict onmogelijk was, zoo zou men hetzelfde ook moeten aannemen voor het andere geval (relatieve ondeugdelijkheid); want in beide gevallen bestaat het delict in werkelijkheid niet.

Zoo kan dus ook alléén van de gevaarlijkheid des daders sprake zijn. Stel, iemand bezigt eene geladen revolver om te trachten, een ander te vermoorden, maar het wapen ketst. We hebben dan met een relatief ondeugdelijk middel te doen, zeggen de objecti visten, dus met strafbare poging. Hier was de handeling des daders eene gevaarlijke, er bestond hier m. a. w. objectief gevaar. Maar nu het geval, dat de revolver door een ander buiten weten des daders ontladen was. Alsdan zou straf-

Sluiten