Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 128. Deeln mi"g in het algi fieen.

§ 129 Medeplict '■Bheid.—Versch tusschen medi

Plechtigheid en mededaderschap.

ue mededaderschap voert ons van zelf tot het leerstuk der i-deelneming, omdat zij daarvan een deel vormt. Zooals wij reeds zeiden wordt deelneming gevormd door de samenwerking van meer dan één persoon tot fo-tzelfde delict. Deze samenwerking kan zóódanig zijn, dat die verschillende personen gelijkelijk verantwoordelijk gesteld moeten worden voor het delict en dan hebben wij te doen met mededaders, óf zoodanig dat het delict aan den een zwaarder moet worden toegerekend dan aan den ander. In het laatste geval hebben wij te doen óf met medeplichtigheid óf met uitlokking. |

i- Medeplichtigheid hebben wij, indien iemand den dader op 11 eene of andere wijze helpt in het volvoeren van zijne daad. Die hulp kan op tal van verschillende manieren worden verleend, zoowel vóór, als gedurende het plegen van de daad (niet echter daarna).

Die hulp kan b.v. bestaan in het verschaffen van inlichtingen of van wapens en werktuigen enz. (dus vóór het plegen deidaad); of wel in het op wachtstaan, of in het vasthouden van een persoon, die beroofd of mishandeld wordt (dus gedurende het plegen der daad).

Uiterlijk verschilt eene handeling van een medeplichtige dikwijls niet van die eens mededaders. Stel b.v. A, B, C, spreken samen af om op zekeren nacht in te breken en te stelen bij P. A en B maken gezamenlijk een gat in den muur; A kruipt er door en steelt f 100, B doet evenzoo en steelt een horloge, terwijl C gedurende dien tijd op wacht heeft gestaan. Na afloop van den diefstal verdeelen zij samen den buit. Het is duidelijk, dat zoowel A als B als C dezen geheelen diefstal als hunne gezamenlijke onderneming hebben beschouwd, die zij dan ook gezamenlijk hebben ten uitvoer gelegd. In dit geval zijn zij alle drie mededaders en voor het geheele delict gelijkelijk verantwoordelijk. Immers, die geheele daad moet beschouwd worden als de gezamenlijke daad dezer drie personen, waarvoor zij gezamenlijk het opzet hebben gevormd; alleen hebben zij den arbeid onder elkaar verdeeld.

Indien echter C. slechts als helper was opgetreden zonder die geheele daad ook als zijne onderneming te hebben beschouwd, zonder daarbij hetzelfde belang te hebben gehad, zoo zouden

Sluiten