Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

^ 131. Verschil ^Sschen uitlok- j inO eenerzijds,

11 >nededa-

'erschap en ' y,l(iplichtiganderzijds. ( ( ( 1 ( i

c 1

c i< e \ e z f( JV a

gebruikt, om zijn opzet te volvoeren, maar dien ander er toe aanzet om desbewust het door hem beoogde delict te plegen. Bij middellijke daderschap is degeen die heeft doen plegen, de eenige verantwoordelijke persoon; bij uitlokking zijn zoowel de uitlokker als de uitgelokte verantwoordelijk. De vraag doet zich echter op, of zij beiden even verantwoordelijk gesteld moeten worden voor het feit of niet.

In het algemeen kan men zeggen, dat degeen die door bepaalde middelen een ander tot eenig delict aanzet, de grootste verantwoordelijkheid moet dragen, daar de uitgelokte het delict niet zou hebben gepleegd, indien hij niet ertoe was overgehaald afgedrongen. Het kan echter ook voorkomen, dat de uitgelokte lader verder is gegaan dan door den uitlokker bedoeld was, 3n dan zou het onbillijk zijn, om de uitlokker voor de geheele handeling verantwoordelijk te stellen.

Het Ontic. beschouwt den uitlokker, die daartoe bepaald langewezen middelen bezigt, als dader.

Men zou hem een soort mededader kunnen noemen, een 'ntéllectueelen mededader; geheel juist zou zulks echter niet zijn. Wel hebben uitlokker en uitgelokte beiden het opzet gericht >p hetzelfde doel, maar zij hebben bij het bereiken van dat loei niet hetzellde belang. Bovendien kan men niet zeggen, lat zij daartoe gezamenlijk handelen; de een doet den ander ïandelen. Zoowel met mededaderschap als met middellijke laderschap heeft de uitlokking dus iets gemeen; maar noodig s het, haar tot een bijzonder soort van deelneming te brengen.

Onze nog geldende strafwetboeken rangschikken de uitlokking mder medeplichtigheid en beschouwen de daad van den uitokker als accessoir aan die van den uitgelokten dader. Deze ipvatting is echter geheel onjuist; want de uitlokker is niet emand, die een ander helpt, maar integendeel degeen, die het erst het opzet voor het delict opvat en daarvan dus de oornaamste oorzaak vormt; zijne daad kan derhalve niet als en accessoir beschouwd worden van die van den ander; eerder ou het omgekeerde zijn aan te nemen. Immers het materieele 3it is een uitvloeisel van de uitlokking, het gevolg er van. [eestal is het delict als de onderneming van den uitlokker lleen te beschouwen, terwijl de ander het delict volvoert om

Sluiten