Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen afhangen van die welke de begunstigde delinquent heeft verdiend; m. a. w. om den begunstiger verantwoordelijk te stellen voor een delict van een ander, dat geheel buiten zijne medewerking is gepleegd, en dat meestal reeds afgeloopen is vóór hij er iets van wist. De grove onbillijkheid, die hierin gelegen is, ligt voor de hand. Stel bijv. een vriend van mij heeft eenig delict gepleegd en verzoekt mij hem te helpen om niet in handen der politie te geraken. Ik keur zijne handeling ten strengste af, wil ook al het mogelijke doen om haar ongedaan te maken bv. door het gestolen voorwerp aan den bestolene terug te geven, maar wensch mijn vriend toch de straf te doen ontloopen. Dit nu is zeker niet goed te keuren en billijk is het dat ik voor die hulpverleening gestraft word; maar hoogst onbillijk is het toch, dat ik gestraft word alsof ik zelf het delict had gepleegd.

Deze fout van den Code pénal, en dus ook van onze geldende strafwetboeken, is door het Ontw. vermeden. In het Ontw. worden de verschillende gevallen van begunstiging als op zich zelf staande feiten behandeld, m. a. w. zij vormen in het Ontw. zelfstandige delicten. Evenwel heeft ook de nieuwere strafwetgever zich vergist: want die delicten, die onder de algemeene benaming „begunstiging" in het Ontw. zijn gerangschikt (artt. 433 v. v.) vormen geen begunstiging, daar het oogmerk om den dader te begunstigen daarbij niet vereischt wordt, terwijl daarentegen bij heling het element van winstbejag gevoegd werd, hetwelk met begunstiging niets te maken heeft. De feiten echter, die zuivere begunstiging vormen worden niet als zoodanig aangeduid, en in art. 189 gerangschikt onder de „misdrijven tegen het openbaar gezag."

Na bovenstaande algemeene beschouwingen gaan we na, hoe de deelneming in hare verschillende onderscheidingen behandeld wordt in het Swb. I. en het Ontw.

Sluiten