Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 140. Per

"°onlyjJce om handigheden.

waaraan hij opzettelijk, heeft meegeholpen, benevens voor hare (strafbare) gevolgen. Hieromtrent kan hetzelfde worden opgemerkt als in de vorige paragraaf in verband met de uitlokking is geschied.

Art. 47 Ontw. bepaalt, dat de persoonlijke omstandigheden, - waardoor de strafbaarheid wordt uitgesloten, verminderd of verhoogd, slechts in aanmerking komen ten aanzien van dien dader ot medeplichtige, wien zij persoonlijk betreffen. Zooals wij in § 133 opmerkten, dient dit in het algemeen te worden aangenomen, dus ook voor de geldende strafwetboeken.

Zoo zal in geval van mededaderschap of medeplichtigheid van een ,-50-jarig persoon met iemand van 15-jarigen ouderdom, de jeugdige leeftijd alleen laatstgenoemde tot verschoonende omstandigheid kunnen strekken (nl. indien deze geacht wordt tot het oordeel des onderscheids te zijn gekomen; anders zou alleen van middellijke daderschap van den .'ÏO-jarige sprake kunnen zijn), De zuivere strafuitsluitingsgronden behooren mede tot de hier bedoelde omstandigheden; zoo ook de verzwarende omstandigheden van recidive en ambtelijke hoedanigheid (a. 141 Swb. I, en a. 41 Ontw,), de verzachtende van bekrompenheid van verstand, enz. Duidelijk komt de beteekenis van dit voorschrift uit, waar uitlokking door geteeld of bedreiging heeft plaats gehad; de materieele dader zal zich dan op deze verzachtende omstandigheden mogen beroepen, als hem persoonlijk betreffende; voor den uitlokker zullen deze zelfde omstandigheden bij de straftoemeting eerder verzwarend werken. (Draagt het geweld of de bedreiging het karakter van overmacht, zoo kan er natuurlijk slechts sprake zijn van middellijke daderschap).

Men lette er wel op, dat onder de hier bedoelde persoonlijke omstandigheden niet behooren die, welke den aard van eenig delict helpen bepalen, welke dus een element van het delict vormen, zooals bv. het bekleeden van zeker ambt bij ambtsdelicten. Men zou anders tot de conclusie moeten komen, dat een ambteloos persoon onmogelijk zich medeplichtig kan maken aan een ambtsdelict, bv. aan schending van het brievengeheim (a. 134 Swb. /. en a. 386 r. r. Ontw.). Zulk eene medeplichtigheid is wel degelijk denkbaar, en ook strafbaar.

Eene uitdrukkelijk bepaalde uitzondering hierop vindt men echter in a. 297 Ontw. Eene uitzondering is in dit opzicht ook

Sluiten