Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikelen, waarbij de strafmaat verschillend is gesteld naar gelang van de zwaarte van het misdrijf, hetwelk men had willen uitlokken. Zie nl: a. 66, opruiing tot misdrijven tegen de inwendige veiligheid van Ned. Indië; a. 143, eerste gedeelte: opzetting door godsdienstleeraars in hunnne leerrede tot ongehoorzaamheid aan alg. verordeningen enz.; a. 153: opruiing tot wederspannigheid.

Art. 28 No. 4 Swb. /., waarheen ook artt. 06 en 158 verwijzen, spreken o. a. van opruiing in ongedrukte geschriften. Geschiedt die opruiing nu in gedrukte geschriften, zoo is art.'22 Drukperxregl. (Sbl. 1856 no. 74) van toepassing. Dit art. bepaalt, dat opzetting tot eenig delict door middel van te koop of ten toon gestelde, verkochte of verspreide drukwerken, als medeplichtigheid tot dat delict met dezelfde straf wordt bedreigd; maar dat zij, indien zij geen gevolg heeft gehad, met gevangenisstraf en geldboete zal worden gestraft, echter nooit zwaarder dan het delict, waartoe was opgezet. Deze bepaling komt dus geheel overeen met die van a. 28 no. 4 Swb. I. (vergelijk verder nog a. 24 Drukp. regl).

In dit vérband behoort nog art. 210 Swb. 1. vermeld, volgens hetwelk de voorzitters- van ongeoorloofde, openbare vergaderingen, waarin op een der aldaar aangegeven manieren tot misdrijf wordt opgezet, strafbaar zijn met dwangarbeid b/k van 3 mnd. tot 2 jaar, ook al hebben zij aan die opzetting niet persoonlijk deelgenomen. Degeen, die zich persoonlijk aan zulk eene opzetting heeft schuldig gemaakt, wordt volgens hetzelfde art., met ten minste dezelfde straf bedreigd (eigenlijk staat er: zal minstens dezelfde straf moeten ondergaan). Hij zal dus, terwijl anders a. 28 no. 4, lid 2 op hem toegepast zou worden, onder de hierbedoelde speciale omstandigheden de zwaardere straf van a. 210 ondergaan, tenzij hij valt in de termen van a. 66, in welk geval dit artikel, daar het eene nog zwaardere straf bedreigt, op hem dient te worden toegepast.

Het Ontw. behandelt de opruiing uitsluitend als zelfstandig delict, niet meer als uitlokking. Of de opruiing al dan niet eenig gevolg heeft gehad, komt er volgens het Ontw. dus niet op aan. Zij vormt een delict „tegen de openbare orde," en is te vinden in a. 133 Ontw:, daarbij wordt, indien de opruiing

Sluiten