Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

§ 159. Algemeene opmerkingen omtrent de vrijheid, den rechter t. o. v. straftoemeting verleend.

De Straftoemeting.—Verzachtende, verschoonende, en verzwarende omstandigheden.

Geen delict, geen straf, zonder voorafgaande wettelijke bepaling; dit vormt, naar wij weten, reeds sedert lang een grondregel voor het strafrecht van elk beschaafd land. Niet alleen zal de wetgever dus moeten bepalen, welke gedragingen een delict vormen, maar bovendien zal door hem bepaald dienen te worden, welke straf op elk delict wordt gesteld. Ten aanzien van de oplegging der straf mag den rechter derhalve niet algeheele vrijheid worden gelaten; dit zou leiden tot onzekerheid en willekeur.

Op welke wijze nu moet de straf door den wetgever worden bepaald? De strafwet zou haar zóódanig kunnen bepalen, dat den rechter in dit opzicht hoegenaamd geen vrijheid werd gegeven; op elk delict zou alsdan eene absoluut-bepaalde straf gesteld zijn, en ieder, over wien het „schuldig" was uitgesproken, zou die bepaalde straf dienen te ondergaan.

Zulk een stelsel zou evenwel tot groote onbillijkheden leiden; immers, elk delict kan onder zoovele verschillende omstandigheden gepleegd worden, dat het eene geval dikwijls al heel weinig op het andere gelijkt, ofschoon zij onder dezelfde qualificatie vallen. A vermoordt bv. B, om hem te berooven; C daarentegen „vermoordt" D, om hem van een vreeslijk lijden te bevrijden, hetwelk wiskunstig-zeker in korten tijd door den dood gevolgd zou worden, bv. in geval van vergevorderden kanker of van hondsdolheid. Beide gevallen vormen moord, niemand echter zal A en C dezelfde straf waardig achten.

Sluiten