Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Talloos zijn de omstandigheden, welke aan hetzelfde delict in het eene concrete geval een geheel ander aanzien geven dan in het andere. De wetgever kan in al die omstandigheden niet voorzien; aan den rechter dient derhalve eene zekere mate van vrijheid, hoewel geen algeheele vrijheid, gelaten te worden ten opzichte van de toemeting der straf; m. a. w. de straf mag niet absoluut, maar dient slechts relatief bepaald te worden door den wetgever.

Straffen kunnen op velerlei wijze relatief-bepaald worden, al naar gelang de mate van vrijheid, welke de wetgever den rechter wenscht te laten. Het door onze geldende strafwetboeken in dit opzicht gevolgde stelsel is ons uit het voorgaande reeds in hoofdzaak bekend: de vrijheids- en arbeidstraffen, alsmede de straf van geldboete, worden door een minimum en een maximum begrensd (slechts bij uitzondering is geen minimum gesteld); de doodstraf alleen is uit den aard der zaak absoluut bepaald, doch behoeft niet in elk geval, waar zij door den wetgever op eenig delict is gesteld, door don rechter te worden opgelegd, evenmin als deze in alle gevallen aan het gestelde minimum of maximum gebonden is. Het stelsel van verzachtende, verschoonende en verzwarende omstandigheden geeft den rechter nl. de bevoegdheid of legt hem de verplichting op om, naar gelang dier omstandigheden, tot zekere grenzen zoowel beneden het minimum, als boven het maximum te gaan, en zelfs eene lichtere, resp. eene zwaardere straf soort toe te passen. ') Dit stelsel geeft den rechter dus vrij veel ruimte, en stelt hem in de gelegenheid, om alle mogelijke omstandigheden bij de toemeting der straf in aanmerking te nemen; wat bij het crimineel karakter onzer strafwetboeken dan ook noodig is. Intusschen is het stelsel alles behalve eenvoudig, terwijl het den rechter bovendien nog lang niet voldoende vrijheid verleent; enkele keeren is de strafwet te elfder ure zelfs geheel van dit stelsel afgeweken, waar zij nl. den rechter dwingt, in bepaalde gevallen het maximum op te leggen, zooals in artt. 141 en 365 Swb. I.

') Deze omstandigheden vooral niet de verwarren met die, welke verlichtende en verzwarende elementen vormen van geprivilegieerde en gequalificeerde delicten. Verg. blzz. 84 en v,

Sluiten