Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatbaar kan worden aangemerkt, zonder dat men bepaald „krankzinnigheid" (in de ruime beteekenis van het woord) mag aannemen; zie blz. 152.

4e De geringheid, of het vrijivillig herstel van het toegebrachte nadeel.

Deze beide gronden tot strafverlichting zijn niet zeer gelukkig gekozen; in geen geval verminderen deze omstandigheden de schuld des daders, met de schuld hebben zij niets hoegenaamd te maken. Of men iemand om een dubbeltje vermoordt, dan wel om f 1000, maakt ten opzichte van de zwaarte zijner schuld geen verschil. De geringheid van het nadeel is dikwijls zéér toevallig, bv. wanneer een dief van plan is, alles te stelen wat hij vinden kan, al ware het f 100.000, maar hij vindt slechts eenige dubbeltjes. De schuld des daders, wordt door dergelijke toevallige omstandigheden toch niet verminderd! ')

') De wetgever blijkt ook elders groot gewicht aan de hoegrootheid van het toegebrachte nadeel te hebben gehecht ter bepaling van de zwaarte der strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Men zie bv. artt. 117jll9-, 304, 305, 311, 328, 332, 350 Swb. I. In de zes laatstgenoemde artt. [zooals ze gewijzigd zijn bij Sbl. 1898 no. 201] zijn de delicten diefstal, oplichting, verduistering, en een bepaald soort bedrog, voor het geval de waarde van het toegebracht nadeel niet meer dan f 25,—bedraagt en het geen groot vee betreft, zelfs tot zeer lichte overtredingen gemaakt! Hiertoe heeft echter meer speciaal de overweging geleid, dat het raadzaam voorkwam, een aantal delicten van genoemde soort door den politierechter te doen berechten; vandaar, dat deze geprivilegieerde delicten alleen in het Swb. I., niet in het Swb. E. voorkomen. Het onwetenschappelijke hiervan behoeft waarlijk niet nader te worden aangetoond. — Niettemin heeft het Ontw., geleid door dezelfde overweging, dit onwetenschappelijk stelsel behouden, door in artt. 317, 331, 336, 340, 363 en 434 een aantal „lichte misdreven" in het leven te roepen; maar daarbij is bovendien geheel vergeten, dat misdrijven wel nooit voor depolitierol zullen worden gebracht! In elk geval had men ze derhalve tot overtredingen moeten maken, en in het Ille Boek moeten plaatsen. Hetzelfde geldt voor artt. 255,.305, flc lid, 321 Ontw.

Dit is evenwel niet het eenige, wat op de „lichte misdrijven" valt aan te merken. Het is, alsof de Ontwerper, eenmaal de fout van den tegenwoordigen wetgever (maar dan nog met één zeer groote vermeerderd) overgenomen hebbende, t. a. v. diezelfde delicten ook. alle gebreken der tegenwoordige strafwetgeving heeft willen behouden, welke g'ebreken in het nieuwe stelsel natuurlijk nog' meer uitkomen. In de noten op blzz. 176 en 200 zagen wij reeds, dat poging tot, en medeplichtigheid aan deze lichte misdrijven, geheel in strijd met het stelsel van het Ontw., met dezelfde straf bedreigd worden als het voltooid delict, resp. het pleg'en van het delict. De hiervoor in de mem. v. toel. aangegeven grond is, dat de straf toch reeds zoo laag was! Maar de Ontwerper vergat; hetzelfde t. a. v. het in art. 255 le lid Ontw. genoemde delict te bepalén, en zelfs t. a. v. stroopery (a 321 Ontw.), waarop slechts ten hoogste één maand arbeidstraf is gesteld! Veel rationeeler zou het dan nog geweest zijn, poging tot en medeplichtigheid aan deze geringe misdrijven in het geheel niet strafbaar te stellen; immers feitelijk hadden deze misdrijven tot de overtredingen gerekend behooren

Sluiten