Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog minder dan de geringheid, zou het vrijwillig herstel van het toegebrachte nadeel grond tot strafvermindering mogen opleveren. Want, hoe aangenaam ook voor den direct benadeelde, staat deze omstandigheid toch geheel buiten het delict, waarvoor de delinquent gestraft moet worden; immers, zij doet zich eerst na de voltooiing van dat delict voor; de zwaarte der schuld kan op geenerlei wijze daarvan afhankelijk zijn („Berouw komt steeds te laat.").— Intusschen ligt het in den aard der menschen, om den berouwvollen zondaar te vergeven; en hoewel de rechter er niet is om te vergeven, maar om het recht toe te passen, is het niettemin begrijpelijk, dat hij op berouw wijzende omstandigheden, na de daad zich voordoende, als verzachtende omstandigheden aanmerkt, vooral, waar de wetgever hem daarin voor is gegaan. Zoo wordt dan ook, om dezelfde reden, volledige bekentenis steeds als verzachtende omstandigheid aangenomen.

Immers, zooals is vooropgesteld, behoeft de rechter zich niet aan de in art. 37 met name genoemde omstandigheden te houden, maar kan hij als zoodanig alles in aanmerking nemen, wat volgens zijn inzicht tot verlichting van straf zou kunnen leiden. Van deze bevoegdheid wordt dan ook ruim gebruik gemaakt, en terecht, want onze Stwbb. zijn zeer streng te noemen, de gestelde minima zijn veel te hoog gesteld.

te worden. — Nog' vasthoudender blijkt de Ontwerper in art. 434 te zijn geweest (zie blz. 216), waar hij zich niet heeft weten los te maken van het verkeerde, en door het nieuwe strafrecht verworpen beginsel, dat de strafbaarheid van begunstiging zich zou hebben te richten naar die van het delict, ter zake waarvan de begunstiging' plaats heeft. Des te erger is dit, hu de heling' en andere delicten, in a. 483 Ontw. genoemd, niet eens begunstiging meer vormen, en niets dan den naam ermede gemeen hebben! En zoo zien wij dan, dat heling van een voorwerp bedreigd wordt met arbeidstraf van ten hoogste 5 jaar, onverschillig, of het geheelde voorwerp afkomstig is van den in a. 319 bedoelden diefstal (waarop de doodstraf staat), dan wel van stroopery (waarop a. 321 een arbeidstraf van ten hoogste ééne maand stelt); maar dat heling van voorwerpen, afkomstig van een „licht misdrijf," bedreigd wordt met dezelfde straf als dat lichte misdrijf, d. i. arbeidstraf van ten hoogste 3 maanden! — In §§ 169 en 189 zullen wij nog de even vreemdsoortige, in betrekking tot die lichte misdrijven staande, artt. 439 en 441 Ontw. ontmoeten. — Men ziet uit een en ander, dat de Ontwerpers van het nieuwe strafwetboek voor Inlanders met de regeling dezer „lichte misdrijven" niet gelukkig zijn geweest. Van harte is het dan ook te hopen, dat de tegenwoordige Ontwerpers van een Indisch Strafwetboek de boven besproken bepalingen niet over zullen nemen!

Sluiten