Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 161. Enkele Welke andere, dan de in de wet genoemde omstandigheden andere verzach- (joor (ien rechter als „verzachtende" plegen te worden aangetende omstandig- noraen^ ]junnen wy slechts door enkele voorbeelden aangeven; zij zijn uit den aard der zaak onbeperkt, daar den rechter in dit opzicht volkomen vrijheid is gelaten. Behalve de volledige bekentenis worden gewoonlijk als verzachtende omstandigheden beschouwd: a. Dronkenschap, althans indien zij van eenige beteekenis is; zij benevelt nl. het verstand en maakt, dat men den aard en de gevolgen zijner handelingen niet zoo goed kan beoordeelen als in nuchteren toestand. Wanneer men zich echter met voordacht bedrinkt, om zich de noodige onverschilligheid te verschaffen tot het volvoeren van een vooraf beraamd misdadig plan, waartegen men toch wel eenigszins opziet, zoo zal dronkenschap natuurlijk niet als verzachtende omstandigheid kunnen gelden. Men vergelijke over den invloed van dronkenschap op de toerekenbaarheid der daad nog het op blz. 150 en in noot 2) op blz. 151 opgemerkte; daar is slechts sprake van zoo'n sterken graad van dronkenschap, dat volkomen onbewustheid van handelingen, zelfs bewusteloosheid, erdoor worden teweeg gebracht.

I). Verleidelijke gelegenheid; bv. wanneer men den sleutel op zijne kasten pleegt te laten, of geld laat slingeren, enz.: „de gelegenheid maakt den dief."In de groote Europeesche bazaars, de z.g.n. „Warenhauser," waar duizenden begeerenswaardige zaken links en rechts zoodanig zijn uitgestald, dat ze slechts voor het grijpen liggen, is het eene daaglijks voorkomende gebeurtenis, dat goederen gestolen worden zelfs door vermogende lieden, op wier gedrag overigens niets valt aan te merken. ') — Hieronder kan ook gebracht worden: gebrek aan controle, waardoor een comptabele in de gelegenheid wordt gesteld, gelden te verduisteren.

') Hieraan heeft ook de stroopery in Nederland zijn ontstaan te danken: het wegnemen van min of meer buiten direct toezicht, voor het grijpen liggende zaken, zooals boomvruchten, sprokkelhout, enz. Zie a. 321 Ontw.— De Ontwerper schijnt echter geen juist begrip van strooperij gehad te hebben; immers dit blijkt uit de in a. 322, 2°. door hem'bijgevoegde woorden: „voorzoover de plaats des misdrijfs eene woning is." Strooperij in eene woning is onbestaanbaar! En waardoor werd hij tot die fout gebracht'? Doordat hij genoodzaakt was de verzwarende omstandigheden van strooperij in overeenstemming te brengen met art. 317, den „lichten diefstal". Zie mem. v. toel op a. 322. Voorwaar, op die „lichte misdrijven" rust geen zegen! Verg. noot op blz. 230 en v.

Sluiten