Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Inlandsche maatschappij over het algemeen nog geen hoogen trap van beschaving bereikt heeft, zoodat de daarin heerschende zedelijkheidsbegrippen dikwijls in lijnrechten strijd zijn met het algemeen belang. Zoo bv. heerscht zelfs op Java vrij algemeen het geloof, dat een bouwwerk van eenige beteekenis een menschenoffer eischt, wil er zegen op rusten. Wanneer de domme Inlander om die reden een kind doodt, meent hij daarmede een goed werk te doen, daar dit offer volgens zijne begrippen wellicht het leven van honderden anderen kan sparen, in ieder geval het algemeen tot zegen strekt. Zoo is het op Java ook weieens voorgekomen, dat men een als toovenaar of heks beschouwde persoon, aan wiens invloed verschillende rampen werden toegeschreven, in het algemeen belang vermoordde. Een Makassaar of Boeginees is volgens zijn adat verplicht, den schaker zijner zuster te dooden, waar hij dezen ook moge aantreffen, tenzij de schaker zijne daad door betaling van een behoorlijken bruidsprijs heeft goedgemaakt. En zoo zouden honderden andere voorbeelden gegeven kunnen worden.

Het is duidelijk, dat dergelijke begrippen niet door den strafwetgever mogen worden geëerbiedigd; zij behooren daarentegen zooveel mogelijk te worden bestreden. Maar anderzijds zou het onbillijk zijn, indien de rechter daarop niet lette bij de toemeting der straf. Vandaar, dat adat en daarmee samenhangende volksbegrippen onder die omstandigheden behooren, waarop bij de waardeering van elk concreet geval acht geslagen dient te worden, daar zij in hooge mate de zwaarte der schuld helpen bepalen; zoo ook kunnen zij derhalve als verzachtende omstandigheden in aanmerking komen. — De adviseurs, die volgens art. 7 I. R. in elke zaak, ook s<?-a/zaak, gehoord moeten worden (op de daar genoemde uitzonderingen na), kunnen in dit opzicht van groot nut zijn indien zij slechts begrijpen, dat van hen meer verlangd wordt dan eenvoudig te verklaren, welke straf volgens Mohammedaansche of Chineesche enz. wet op eenige euveldaad is gesteld. Men moest eindelijk eens beseffen, dat men het voorschrift van art. 7 I. R. onmogelijk bespottelijker kan maken dan door bv. bij eiken diefstal tot potong tangante adviseeren!

Sluiten