Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

^66. Het stelen hel Ont-

3n verschoonende omstandigheden konden nimmer tegelijk toepassing vinden, aan elke soort was haar bijzonder ressort langewezen. —- Eerst in 1832 werd het stelsel der „verzachtende omstandigheden" in Frankrijk tot alle delicten en ten aanzien van alle straffen uitgebreid, in Nederland in 1854; maar met behoud der verschoonende omstandigheden! En zoo is dit tweeslachtig stelsel ook in onze strafwetboeken gekomen. ') — Hoe stelselloos dit z. g. n. „stelsel-" is, moge uit het volgende blijken: waar de doodstraf op eenig delict is bedreigd, mag de rechter in geval verzachtende omstandigheden aanwezig zijn geen lagere straf opleggen dan 2 jaar dwangarbeid b/k, in geval van verschoonende omstandigheden mag hij echter de straf tot 1 jaar dwangarbeid b/k doen dalen; maar is de bedreigde straf dwangarbeid ijk van 5—15 jaar, zoo mag in het eerste geval de straf zelfs tot dwangarbeid b/k van 6 maanden worden verlaagd, terwijl in het tweede geval niet lager mag worden afgedaald dan tot dezelfde straf gedurende 1 jaar!

Ook afgezien van die verschoonende omstandigheden, is het stelsel van strafminima met verzachtende omstandigheden gekunsteld te noemen. Immers, verzachtende omstandigheden in algemeenen zin moeten er reeds aanwezig zijn, indien men niet het maximum wenscht toe te passen; het stelsel der „verzachtende omstandigheden", als in a. 37 Swb. I. bedoeld, komt dus eenvoudig neer op eene verlaging der strafminima.

Het Ontw. is een stap verder gegaan, en heeft voor arbeidstraf en geldboete één algemeen minimum gesteld, en wel van één dag voor arbeidstraf, van f 1.— voor geldboete; alleen de maxima verschillen. Al is dus het maximum der arbeidstraf voor eenig delict zelfs op 20 jaar gesteld, zoo bestaat toch de mogelijkheid, dat wegens dit delict eene arbeidstrat van niet langer dan één dag opgelegd wordt.

In den beginne waren er nog verscheidene gevallen in het bijzonder gedeelte opgenomen, waarbij het aannemen van. verzachtende omstandigheden uitdrukkelijk werd uitgesloten. Deze beperking verviel bij Sbl. 1876 A o. 174 uit het Swb. I. Thans kunnen verzachtende omstandigheden dus t. a. v. alle delicten hunnen invloed doen gelden — uitgezonderd nog in de gevallen, waarin de rechter tot oplegging van het maximum verplicht wordt (a. 141 en 365 Swb I.). Men heeft deze gevallen blijkbaar in 187,6 over het hoofd gezien, daar zij met het door dat Sbl. uitgedrukt beginsel in lijnrechten strijd zijn.

Sluiten