Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem vijf, zes slagen te geven, of A wil B dooden en brengt hem achtereenvolgens drie verwondingen toe, waarvan de laatste ten slotte den dood ten gevolge heeft; enz. enz. In al deze gevallen hebben wij niet met resp. drie of vier brandstichtingen, drie diefstallen, vijf of zes mishandelingen, twee pogingen tot doodslag met één doodslag te doen, maar met één brandstichting, één diefstal, één mishandeling en één doodslag. De opvolgende handelingen vormen een zóó aaneengeschakeld geheel, dat zij gezamenlijk als één voortgezette handeling te beschouwen zijn.

Niet in alle voorkomende gevallen echter is de reeks van handelingen zóó gemakkelijk als voortgezette handeling te herkennen, en ook hierbij heerscht verschil van meening. Speciaal betreft dit verschil de vraag, of eene voortgezette handeling slechts uit eene reeks van gelijksoortige handelingen kan bestaan, dan wel, of ook ««gelijksoortige handelingen als zoodanig kunnen worden beschouwd, mits maar de band zóó nauw zij, dat de eene handeling een onmiddellijk voortvloeisel van de andere vormt. Zoo bv. wanneer iemand eene valsche handteekening op een wissel stelt (valschheid in bankgeschriften) en daarmede zich geld doet afgeven (oplichting of het desbewust gebruik maken van een vervalscht bankgeschrift); of wanneer iemand gelden verduistert, en, teneinde ontdekking te voorkomen, valschheid in handelsboeken pleegt, enz. In Indië neemt men meestal aan, dat ook laatstgenoemde handelingen als ééne voortgezette handeling moeten worden beschouwd; rn. i. ten onrechte, want de voortzetting eener handeling veronderstelt gelijksoortigheid van handelingen; zoodra eene andere handeling gepleegd wordt, kan van „voortzetting" geen sprake meer zijn, hoe nauw de eene handeling ook met de andere in verband moge staan. In laatstbedoelde gevallen hebben wij derhalve met reëelen samenloop te doen.

Daarom vormen echter opeenvolgende gelijksoortige handelingen niet in elk geval eene voortgezette handeling; want vooral wordt hiertoe vereischt, dat die reeks van handelingen de uiting zij van één misdadig besluit. Wanneer bovenbedoelde drie diefstallen niet gepleegd waren met de bedoeling, om eene som van f. 50 bijeen te stelen, zoo zouden zij als geheel van elkaar onaf-

Sluiten