Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samenloopende Jichtc misdrijven toegebrachte nadeel méér dan f 25 bedraagt ').

In bovengenoemd voorbeeld zouden dus niet de delicten van artt. 317, 336 en 363, maar die van de daaraan direct voorafgaande artt. samenloopen. Hier is derhalve aaii den samenloop eene functie gegeven, welke daaraan geheel vreemd is en ook blijven moest. Nadat men eerst ten onrechte de geringheid van het nadeel tot motief heeft gebruikt, om van sommige delicten geprivilegieerde delicten te vormen, gaat men thans wederom aan dusdanige delicten dat karakter ontnemen, zoodra in geval van samenloop de gezamenlijke waarde van het nadeel f 25 overschrijdt!

Verder bepaalt art. 441 in het 2^ lid, dat in het in het eerste lid bedoeld geval „de op te leggen straf bedraagt": arbeidstraf van ten hoogste drie maanden óf geldboete van ten hoogste f300. Ook deze bepaling is niet zoo onschuldig als zij er uitziet. Immers, hierdoor wordt de mogelijkheid uitgesloten, dat door den rechter èn arbeidstraf èn geldboete in zoo'n geval worden opgelegd, waardoor wederom de Ontwerper (waarschijnlijk onbewust, aangezien in de memorie v. toel. daaromtrent niets is gezegd)2) te kennen heeft gegeven, dat ingeval van samenloop van delicten, waarop alternatief verschillende straffen zijn gesteld, nooit a. 55, maar steeds a. 54 Ontw. toepassing zal mogen vinden, zoodat de toepassing van a. 55 beperkt zou blijven tot het zeer zeldzame, éénige geval, dat eenig misdrijf samenloopt met het misdrijf van a. 368 Ontw. (Verg. de noot op blz. 264).

>) De negatie is dus verkeerd geplaatst, behoort nl. bij „blijven", eu niet bij „meer".

2) De eenige „toelichting" op het tweede lid van art. 441 Ontw. luidt nl. „Het tweede lid vereischt geene"' toelichting."

De mem. v. toel. behelst verder nog deze zinsnede, waarop in dit verband opmerkzaam dient te worden gemaakt: „Geen moeilijkheid wordt geacht te bestaan in het geval bedoeld in artikel 53; daar worden meerdere feiten beschouwd en bestraft als eene voortgezette handeling; maar dan ligt het ook in den aard der zaak, dat de gezamenlijke waarde van datgene welks waarde in aanmerking komt, beslissend moet zijn voor de vraag welke strafbepaling behoort te worden toegepast." Deze opmerking zou juist zijn, indien art. 53 Ontw. duidelijker ware geredigeerd; het tiveede voorbeeld van § 176 zou dan in elk geval vormen één diefstal van f 50 (a. 315 Ontw.). Waar a. 53 echter dubbelzinnig is en het daarmee overeenstemmend art. van het Nederlandsche Swb. door vele gezaghebbende juristen wordt opgevat als eeii speciaal geval van meerdaadschen samenloop behandelende (zie bv. Simons, No. 305; verg noot op blz. 263) daar kan uitdrukkelijke voorziening in het hierbedoeld g'eval zeer zeker niet overbodig genoemd worden.

Sluiten