Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bovenstaande vindt men in de geldende wetgeving niet met zoovele woorden bepaald; art. 398 I. R. schrijft slechts voor, dat al wie is vrijgesproken, wegens hetzelfde feit niet nogmaals in rechten kan worden betrokken. Dat hetzelfde, en in nog sterkere mate, geldt voor het geval iemand wegens eenig feit is veroordeeld, schijnt men zoo van zelfsprekend te hebben gevonden, dat eene uitdrukkelijke desbetreffende bepaling overbodig werd gacht. Niet zoo overbodig evenwel is het, bij wettelijke bepaling hetzelfde gevolg aan ontslag van rechtsvervolging te verbinden. Nu dit niet is geschied, willen vele juristen dan ook niets weten van de toepassing van het „ne bis in idem" op dit geval; de jurisprudentie echter doet dit wèl; zij past a. 398 I. R. ook toe op het geval van ontslag van rechtsvervolging, en terecht.

Een en ander moet slechts van toepassing geacht worden t. a. v. gewijsden, afkomstig van den Ned.-Indischen, in naam der Koningin rechtsprekenden, rechter, of van den Nederlandschen rechter (verg. a. 104 R. R.); gewijsden van andere, speciaal buitenlandsche rechters komen in deze niet in aanmerking.

De regel „ne bis in idem" geldt slechts t. a. v. denzelfden persoon betreffende hetzelfde feit. Is eenig feit dus ten aanzien van A. bij gewijsde beslist, zoo belet niets, dat B. die daaraan op de eene of andere wijze heeft deelgenomen, daarna deswege wordt vervolgd.

Wat onder „hetzelfde feit" moet worden verstaan, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Sommigen nemen deze uitdrukking zoo ruim mogelijk, en verstaan onder „feit" alle handelingen, die zich als een samenhangende reeks van direct op elkaar volgende of tegelijkertijd plaats hebbende delicten voordoen, bv, men pleegt valschheid in handelsboeken ter verberging van verduistering, men verwondt bij ééne vechtpartij twee of meer personen enz. Volgens deze opvatting zou men dus in het eerstgenoemd geval wegens verduistering bv. vrijgesproken zijnde, niet meer wegens boekvervalsching kunnen worden vervolgd. Waar dergelijke feiten als ééne voortgezette handeling Worden opgevat, moeten zij ook als één feit beschouwd worden; wie dit niet doen (verg. § 176), hebben daarin afzonderlijke,

Sluiten