Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delict of een groep van delicten, worden opgeheven ten behoeve van allen, die zich daaraan hebben schuldig gemaakt; daarbij wordt niet onderscheiden, of de schuldigen deswege reeds vervolgd zijn of niet, en zoo ja of zij reeds veroordeeld zijn of niet, zoodat amnestie tevens liet recht tot strafvoltrekking doet vervallen. — Abolitie is het afstand doen van het recht tot strafvervolging of tot voortzetting eener reeds aangevangen vervolging. l)

Het recht van amnestie en abolitie komt, volgens art. 68, Se lid, Gw. alleen 's Rijkswetgever toe; voorzooveel Inlandsche vorsten en hoofden betreft echter, is het bij art. 52, laatste lid, R. R. toegekend aan den Gouverneur-generaal in overeenstemming met den Raad van Ned.-Indië 2).

III. Dood van verdachte {beklaagde).

Is de verdachte of beklaagde vóór resp. gedurende de strafvervolging overleden, zoo vervalt ook daardoor het recht tot verdere vervolging (a. 399, 2e lid I. R.). Eene uitzondering hierop kent art. 400 I. R. voorzooveel aangaat het verhaal van geldboeten en verbeurdverklaringen wegens overtreding van fiscale verordeningen. Dit geval hebben wij reeds op blz. 70 (§ 53) behandeld.

§ 193. Verjaring I Verjaring.

Het recht tot strafvervolging vervalt verder door verloop van een bepaalden tijd; alsdan zegt men, dat het recht is verjaard

') In nauw verband met amnestie en abolitie staat het nader te behandelen recht van gratie (zie § 197), d. i. de kwijtschelding, geheel of gedeeltelijk, eener opgelegde straf. Amnestie kan dus zjowel abolite als gratie in zich sluiten, maar wordt steeds uitgevaardigd ten behoeve van alle deelnemers in het algemeen, hetzij bekend, hetzij onbekend, terwijl abolitie en gratie uitsluitend betrekking hebben op bepaalde personen (Verg. Van Hamel, le. dr., blz. 480 v.).

2) Een voorbeeld van amnestie vindt men in Sbl. 1862 no. 119, ten behoeve van de Inlandsche vorsten en hoofden, en van kunne volgelingen en aanhangers die aan den opstand en het verzet tegen het Nederlandsch gezag in de Z. en O. atdeeling van Borneo hebben deelgenomen. Eigenaardig is hierbij, dat de amnestie óók ten behoeve der „volgelingen en aanhangers," dus niet-vorsten en niet-hoofden werd uitgevaardigd, in strijd met a. 52 R.R.

De bevoegdheid, den G.Gr. bij a. 179 li. O. verleend, om bij schriftelijk bevel eene strafvervolging tegen te houden, moet men niet met het recht van abolitie verwarren. Hierbij toch wordt geen afstand gedaan van het recht van vervolging.

Evenmin heeft het niet-verleenen van verlof tot vervolging van Vorsten, Rijksbestierders en Regenten volgens a. 84 R.R. jo. Sbl. 1867 no. 10, art., iets met abolitie uit te staan.

Sluiten