Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a. 404 I. R.). Men heelt r.i. gemeend, dat een meer ot minder lang tijdsverloop de noodzakelijkheid, om den dader wegens eenig delict te straffen, doet vervallen; vandaar dat niet alleen het recht tot strafvervolging, maar ook dat tot strafvoltrekking, zooals wij beneden nader zullen zien, door verjaring te niet gaat. Dit is m. i. juist, maar niet iedereen is het hiermede eens. Waar echter tusschen de daad en de vervolging, resp. de straf een behoorlijke tijd verloopen is, vordert m. i. noch het belang van den Staat, noch dat van het Recht, dat wegens die daad eene straf wordt opgelegd, resp. ten uitvoer gelegd. Wil eene straf goed aan haar doel beantwoorden (beveiliging der maatschappij en verbetering van den misdadiger) zoo moet zij zoo spoedig mogelijk op de daad volgen; hoe langer tijd daartusschen verloopt, des te minder doeltreffend ook de straf wordt. — De verjaring van het recht tot .vervolging heeft bovendien nog tot grond, dat een lang tijdsverloop het bewijs van schuld onzeker kan doen Worden, daar dit in strafzaken hoofdzakelijk op getuigenverklaringen steunt. De herinnering van waargenomen feiten toch, wordt door tijdsverloop aanmerkelijk verzwakt, de getuigenverklaringen worden daardoor hoe langer hoe minder betrouwbaar. Vandaar dan ook, dat de termijn voor de verjaring van het vervolgirigSrecht op de helft van dien voor de verjaring van het recht tot strafvoltrekking is gesteld (a. 408 I. li.).

De verjaringstermijnen zijn verschillend naarmate van het meer of minder ernstig karakter van het delict. Voor de verjaring van het recht tot strafvervolging zijn de volgende termijnen bij artt. 406 en v. I. R. gesteld:

20 jaar t. a. v. misdrijven, bedreigd met de doodstraf, ■ 15 „ „ „ „ „ „ „ dwangarbeid i/k

. van 5—20 jaar, 10 „ „ „ „ „ „ „ lichtere straf,

1 ,, ,, ,, ,, overtredingen van reglementen, en keuren van

politie,

3 „ ,, ,, „ ,, van anderen aard.

De verjaringstermijn begint te loopen op het oogenblik, dat het delict „bedreven" is, zegt art. 405 I. R., d. i. op het tijdstip waarop het delict gezegd kan worden voltooid te zijn (verg. § 69

Sluiten