Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 196. Dood var öen veroordeelde

§ 197. Gratie-

verieening.

I. De dood van den veroordeelde.

Deze grond tot verval van het recht tot strafvoltrekking komt ons- thans vrijwel vanzelfsprekend voor. In vroegeren tijd was dit echter niet het geval; toen werd eene straf dikwijls nog aan lijken voltrokken. Ook thans nog vinden wij één geval vermeld, dat een strafvonnis nog na den dood van den veroordeelde wordt ten uitvoer gelegd, doch nu niet meer op liet lijk, doch op de nagelaten goederen en tégen de erfgenamen van den veroordeelde. Dit geval, vervat in art. 401 I. R., behandelden wij reeds in § 53 op blz. 70.

II. I'erleening van gratie.

Gratie beteekent: de geheele of gedeeltelijke kwijtschelding van eene bij rechterlijk gewijsde opgelegde straf, of de wijziging van zulk eene strat in eene van lichtere soort. In dit laatste geval en bij gedeeltelijke kwijtschelding spreekt men ook van remissie.

Het recht van gratie heeft, krachtens art. 68 Gw., de Koning; dit koninklijk recht wordt in Indië uitgeoefend door den G. (*., maar alleen t. a. v. straffen, bij rechterlijke vonnissen in Nederlandsch-Indië opgelegd, ') zoolang de veroordeelden zich aldaar ophouden, en na gehoord advies van het Hooaqerechtshof (a. 52 R. R.)

Gratieverlening vormt een van de gevallen van tusschenkomst der Regeering in zaken van Justitie. Het doel van de gratie is, om daar, waar de toepassing der wet tot onbillijkheid zou leiden, deze weg te nemen. De rechter mag, waar hij de wet heeft toe te passen, hare innerlijke waarde of billijkheid niet beoordeelen (a. 20 A.B.); ook indien de wet in het algemeen billijk te noemen is, zal hare toepassing in concrete gevallen dikwijls onbillijk kunnen zijn. Zoo zagen wij bv., dat de strafminima, zelfs bij aanneming van verzachtende omstandigheden, dikwijls veel te hoog blijken te zijn. Het zwaarste delict (bv. moord) kan onder zulke omstandigheden gepleegd zijn, dat oplegging van eene zéér lichte straf door de j*echt-

ÏJZoo uitgebreid mogelijk op te vatten, en niette beperken tot vonnissen, in naam der Koningin uitgesproken; verg. Sbl. 1905 no. 43. Dat afdoening buiten proces echter niet onder het begrip „rechterlijk vonnis" valt, spreekt van zelf; zie § 194, blz. 276.

Sluiten