Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 200. Verval van het recht tot strafvoltrekking

volgens Ontwerp.

in 12 jaren voor alle misdrijven, waarop tijdelijke arbeidstraf van

meer dan 3 jaar is gesteld;

in 18 jaren voor alle misdrijven, waarop de doodstraf of levenslange arbeidstraf is gesteld (a. 67 Ontw.).

De termijn vangt aan op den dag na dien, waarop liet feit is gepleegd, behoudens twee bijzonderlijk genoemde groepen van gevallen (a. 68 Ontw.); terwijl de verjaring wordt gestuit ot' geschorst in de gevallen, bij de artt. 69 en 70 Ontw. genoemd.

d. Door vrijwillige Maling van het maximum der bedreigde geldboete, c. q. ook van de gemaakte gerechtskosten, eventueel gepaard gaande met de afgifte der aan verbeurdverklaring onderworpen goederen of de voldoening van de getaxeerde waarde daarvan; een en ander, slechts in geval van overtreding, waarop geen andere hoofdstraf dan geldboete is gesteld («. 11 Ontw.; voor het laatste lid vergelijke men blz. 247).

e. Doot' intrekking der klacht bij klachtdelicten (zie blz. 101,) door amnestie en abolitie, alsmede. door transactie, in de gevallen, waarbij een en ander is toegelaten. Over de drie laatstgenoemde oorzaken van verval van het vervolgingsrecht spreekt het Ontwerp niet; natuurlijk blijven die gevallen niettemin als zoodanig gelden, daar zulks uit hunnen aard voortvloeit.

11. Het recht tot strafvoltrekking vervalt in de volgende gevallen.

a. Door den dood van den veroordeelde (art. 72 Ontw.). Ook hierbij zal de uitzondering, in art. 401 I. li. bedoeld, maar dan alléén ten aanzien van fiscale overtredingen, wel gehandhaafd blijven, op voorbeeld van het in Nederland gevolgde stelsel (zie a. 418 Ned. Sv.).

b. Door verjaring, en wel:

in 2 jaar bij overtredingen',

„ 5 „ bij misdrijven, door middel van de drukpers gepleegd; „ 8, 16 en 24 jaren bij misdrijven waarop resp. geldboete of arbeidstraf van niet meer dan drie jaren, tijdelijke arbeidstraf van méér dan drie jaren, en de doodstraf of levenslange arbeidstraf is gesteld; nooit mag echter de verjaringstermijn korter zijn dan de duur der opgelegde straf, terwijl het recht tot uitvoering der opgelegde doodstraf of der opgelegde levenslange arbeidstraf niet verjaart (a. 73 Ontw.).

Sluiten