Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verheven boven alle lagere goden; de Betschuanen aan den God Modimo, die de wereld geschapen heeft, en leven en dood, geluk en ongeluk uitdeelt. De Indianen houden vast aan den „Grooten Geest" en de Kaffers, bij de bronnen van de Zambesi aan den „Grooten Grooten" die de goede menschen na den dood opneemt in zijn eeuwig huis. Van de Slaven achter de Karpathen (de tegenwoordige Serben) schreef de oude geschiedschrijver Procopius: „Zij bidden wel is waar de rivieren, de nymphen en een aantal Godheden aan, maar toch gelooven zij daarbij aan een eenigen God der Goden, alleen Heer over alles, die aan deze, door hem gevormde lagere goden het bestuur der wereld overlaat, en zich slechts met hemelsche dingen bezighoudt." Wel vereeren en vreezen de Polynesiërs van Nieuw-Zeeland af tot de Sandwicheilanden toe, volkeren sinds eeuwen eenzaam levend in de groote waterwoestenijen van den stillen Oceaan, tallooze natuurgoden (Atouas) en plaatselijke godheden (Tiis) maar hun priesters en barden, de Arepos, zingen van den grooten God Taaroa (op Nieuw-Zeeland Tangaroa) en zijn schepping een overoud lied. Aldus luidt het: „Taaroa was! Hij was in het ledige. Geen aarde! Geen hemel! Geen menschen! Taaroa roept, niets antwoordt. Toen schiep Hij, de alleen zijnde, uit zich zelf het heelal. Taaroa is het licht, de kiem, de grondslag, de onvergankelijke, de sterke. Taaroa schiep het groote, heilige heelal, dat niet anders is dan de schaal van Taaroa" (zie Moerenhout Voyages aux Hes du Grand-Océan 1837).

Sluiten