Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweldig woord voor de ziel, die vermoeid is van het betrekkelijke, vragende, twijfelende, beangstigde, hoogmoedige, onzekere menschenwoord. Stoot er u aan, gij wijzen; rukt er brommend aan in zelfvoldane ingebeeldheid, gij critici; lacht er over en spot er mee, gij goddeloozen! Het hart in mijn boezem zegt mij: hier is waarheid. En gij moogt u afpijnigen zooveel gij wilt: een betere waarheid vindt gij niet uit. Wat hebben menschen al niet over den aanvang aller dingen gefabeld en gebazeld, wat hebben zij al niet uitgedacht om zich te verbergen — omdat zij naakt zijn en daardoor bevreesd — voor het aangezicht van dien God, die daar in een eenzaamheid vol majesteit, en in een macht zonder beperking staat aan het begin als de schepper van hemel en van aarde. Maar hoe onhoudbaar en hol zijn hunne theorieën. Indien niet een God de wereld geschapen heeft, dan is of de wereld eeuwig öf zij heeft zichzelf geschapen. Dat zij niet eeuwig is zegt zij zelf ons. De gansche natuur roept ons toe: ik ben van gisteren en jaag naar het einddoel. Dat erkent volmondig de natuuronderzoeker, de wijsgeer, de sterrenkundige, de natuurkundige en de geoloog, de geloovige Zecchi zoowel als de godloochenaar E. von Hartmann. Zij zeggen allen: Deze wereld is een worstelperk van krachten, die tegenover elkander staan en naar evenwicht streven; b.v. de warmte der zonnen aan 't firmament en de koude van de wereldruimte. Indien de wereld eeuwig ware, moest het evenwicht reeds, eeuwig lang gevonden zijn. Dat het nog zoo oneindig ver van

Sluiten