Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben. Wij trekken verder uit allerlei feiten het besluit, dat het molecuul dood, d. i. zonder beweging bij (volgens prof. Pictet) 279°, zich te sneller beweegt, naarmate de warmte grooter wordt. Maar waarom ? En wat is warmte? Wat is absolute warmte en absolute koude en waar vinden wij die? En hoe hebben wij ons deze wonderbare atomen voor te stellen; want al zijn zij ondeelbaar, zij moeten toch een vorm hebben. Het eenvoudigste is de hypothese, dat zij juist dezelfde gedaante hebben, waarin hun lichaam kristalliseert; b.v. die van kubussen, piramiden, zeszijdige zuilen, sterren enz. Maar ook deze verscheidenheid in den vorm verklaart niet de verscheidenheid van bun eigenschappen en krachten, hun kleur en gewicht. In een woord, al ons nadenken over de stof brengt ons geen stap nader tot de beantwoording der vraag: Waarom is goud zwaar, ijzer hard, koper rood enz. of waarom en waardoor is goud goud, zuurstof zuurstof ?

Daar is iets verwarrends en verbijsterends in deze elementen, waarmede men in het chemisch laboratorium in aanraking komt. Men voelt zich omgeven door onbekende wezens en krachten. Steeds wisselen de verschijningsvormen en de kleuren af. Het vloeibare wordt liaid, het harde wordt vloeibaar of gasvormig en deze spookachtige elementen komen en gaan, verschijnen en verdwijnen weer, verbinden zich en scheiden zich. Het eene oogenblik liggen zij onverschillig naast elkander, het volgende oogenblik omstrengelen zij elkander als met armen der liefde, zij bruisen op, zij verwisselen van kleur, vorm en gedaante en na tal

Sluiten